EssayVertrouwen in de politiek

Vertrouwt de overheid haar burgers nog?

In ons systeem zijn politicus en kiezer verworden tot klant en koopman. Er is groot onderhoud nodig, betoogt Daan Roovers.

Premier Rutte spreekt met gedupeerde ouders in de kinderopvangtoeslagaffaire op het Plein in Den Haag, november 2020.  Beeld
Premier Rutte spreekt met gedupeerde ouders in de kinderopvangtoeslagaffaire op het Plein in Den Haag, november 2020.

Historicus Mark Rutte begon de verklaring over het aftreden van zijn kabinet met de woorden van de eerste liberale premier Pieter Cort van der Linden: ‘De staat dringt de overmoedigen terug, beschermt de zwakken, verdeelt de risico’s, en stelt zich in het haastig gedrang aan allen tot gids.’ Het rapport Ongekend onrecht heeft laten zien dat de overheid deze taak jaren aaneen op flagrante wijze geschonden heeft, en dus was er geen andere conclusie mogelijk dan gezamenlijk aftreden.

De val van het kabinet markeert een omslag. Het moet het vertrouwen in de overheid herstellen, aldus onder anderen ministers Kaag en Van Ark in hun eerste reacties. Er is de afgelopen dagen veel gezegd en geschreven over het vertrouwen van burgers in de overheid, maar ik zou de vraag eens willen omdraaien: in hoeverre vertrouwt de overheid haar burgers? Ligt een wantrouwende en onverschillige houding van politici tegenover de burgers ten grondslag aan de val van Rutte III?

Als iets direct in het oog springt in de toeslagenaffaire, is dat het beeld van een overheid die haar eigen burgers niet vertrouwt. In de no-nonsensepolitiek die de afgelopen twintig jaar het Binnenhof domineert – precies de jaren dat Rutte daar rondloopt – zijn burgers calculerende wezens die uit zijn op hun eigen voordeel, graag de randen van de wet opzoeken, waarbij fraude en misbruik op de loer liggen. Het verschil tussen vergissingen, het niet invullen van een datum, en doelbewuste oplichterij is opgeheven: fouten zijn fouten en dus een vorm van fraude. No mercy.

Onmacht

Dat is geen incident. In het paradigma van de verzorgingsstaat aan het einde van de vorige eeuw waren burgers in de eerste plaats afhankelijk en onmondig; in de participatiemaatschappij zijn burgers assertief, calculerend en uit op hun eigenbelang. In iedereen schuilt ook een fraudeur, of het nu de Groninger is die klaagt over een verzakkend huis, of de ouder – en zeker de ouder met een dubbele nationaliteit! – die kinderopvangtoeslag aanvraagt. De stoere retoriek van het goed besteden van gemeenschapsgeld vraagt dat we iedereen in principe óók als potentiële fraudeur zien. Een vorm van georganiseerd wantrouwen dat zich heeft vertaald in een cynische, onverschillige houding. Want eenmaal aangemerkt als potentiële fraudeur kun je, naar nu blijkt, hoog en laag springen, en bezwaarschrift na bezwaarschrift schrijven: de boodschap komt niet aan. Het herstellen van fouten heeft geen prioriteit. De ‘calculerende burger’ staat alleen en onmachtig tegenover een grote, onverschillige overheid.

Die overheid is vervolgens niet aanspreekbaar. Het begrip verantwoordelijkheid hebben we in onze over-geoptimaliseerde cultuur effectief gedemonteerd in anonieme deelbeslissingen. Na zich jaren te hebben vastgebeten in het toeslagendebacle, zegt Pieter Omtzigt het mooi: ‘In Nederland heb je een probleem opgelost als je als ambtenaar of politicus hebt uitgelegd dat je zelf niet honderd procent verantwoordelijk bent voor het probleem.’ Er bestaan in een dergelijk systeem alleen uitvoerders van een deel, zonder verantwoordelijkheid over het geheel. Kleine radartjes in de machine. Ieder die weleens een zoekgeraakt pakketje in de post heeft willen naspeuren, weet waar dit over gaat.

Welnu, het kabinet is gevallen in een poging dit vertrouwen te herstellen. Maar het kabinet viel zo zachtjes mogelijk en met een lange aanloop. Het bezweek niet door druk van binnenuit, maar van buitenaf, toen verder regeren schadelijker leek dan opstappen. Zorgvuldig geregisseerd als een val die geen pijn mocht doen. Toen er draagvlak was, nam men het besluit dat daarbij past: over calculeren gesproken.

Cliëntelisme

Op de vraag ‘Kunt u door als lijsttrekker?’, verwees de premier niet in de eerste plaats naar zijn eigen afwegingen. Hij had daar geen twijfels bij. Die vraag ligt uiteindelijk bij de kiezer. Het afwimpelen van deze verantwoordelijkheid richting de kiezer raakt aan een van mijn diepste ergernissen. De laatste jaren meng ik mij regelmatig in gesprekken met politici en ambtenaren. Recentelijk werd ik daarbij meermaals, op vrijwel dezelfde wijze, gecorrigeerd in mijn woordkeuze, als ik sprak over de verhouding tussen burger en politiek. ‘Burgers liggen bij ons op de barbecue!’, grapte een woordvoerder van een van de regeringspartijen. Wij spreken niet meer over burgers, liever praten we over ‘inwoners’, ‘Nederlanders’ of, helemaal ideaal: ‘kiezers’. Een veelzeggende keuze.

In een land waar 60 à 70 procent van de kiezers tot 24 uur voordat ze naar de stembus gaat nog geen definitieve keuze heeft gemaakt, ligt in het herformuleren van de verhouding tussen burger en politiek in die van kiezer en gekozene cliëntelisme op de loer. Over kiezers kun je praten in termen van doelgroepen, mensen die je wilt overtuigen om op jou te stemmen. Daar valt iets te winnen. Maar politici, zeker zij die benoemd zijn in een kabinet, hebben evenzeer een verantwoordelijkheid ten aanzien van níet-kiezers. Na de machtsvorming, het formeren van een kabinet op basis van de verkiezingsuitslag waarin de verhoudingen van die uitslag bepalend zijn, treedt een regering aan die in dienst is van het land, en níet van degenen die op hem of haar gestemd hebben. Burgers vooral als kiezers zien, miskent de dimensie dat je in dienst staat van álle burgers. Ombudspolitiek, een term die de laatste maanden vaak opduikt en leunt op het ‘u vraagt, wij draaien’-beginsel, holt die politieke dimensie uit.

Discriminatoire vooroordelen

De verhouding burger-overheid is de afgelopen jaren sluipenderwijs omgebogen in de strategische verhouding van kiezer en gekozene, en soms zelf in die tussen klant en koopman. Mark Rutte, de Don Draper van de Nederlandse politiek zoals De Groene hem deze week typeert, heeft dat nieuwe krachtenveld heel goed begrepen en mede naar zijn hand gezet. ‘Een politicus is altijd een koopman’, zei Rutte een paar jaar terug in Zomergasten. Met de pet in de hand gaat hij binnenkort weer naar de kiezer, op zoek naar een mandaat voor een volgende termijn. De Franse schrijver Michel Houellebecq slaat in zijn roman Serotonine de spijker op zijn kop: ‘Nederland is geen land, hooguit een bedrijf.’

Daar zit de kern van het probleem. Politici nemen de burger niet serieus. Gecombineerd met het intrinsieke racisme, dat zo elegant buiten alle analyses blijft nu, omdat de commissie-Van Dam dit buiten beschouwing heeft gelaten, komt het kabinet nu nog heel aardig weg. Een overheid die haar burgers serieus neemt, zal zich radicaal moeten ontdoen van alle gemakzuchtige, stoere en discriminatoire vooroordelen.

Ons systeem van politieke vertegenwoordiging is na 250 jaar te groot, te abstract en te vanzelfsprekend geworden. Het sluit niet meer aan bij de geëmancipeerde en beter opgeleide bevolking in het dominante economische krachtenveld. Het wordt tijd voor groot onderhoud. Niet alleen bij de Belastingdienst, maar ook in het politiek systeem. Betere vertegenwoordiging, een burger die politiek gezien serieus genomen wordt en een overheid die ‘allen tot gids’ is. Het kabinet, en Rutte voorop, doen er goed aan de woorden van Cort van der Linden serieus nemen: de overheid is er voor de burger, niet omgekeerd.

Daan Roovers is filosoof en Denker des vaderlands.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden