ColumnPeter Middendorp

Verliezen van een goede vriend, dat is zo erg nog niet

De eerste schrijver met wie ik bevriend raakte toen ik een jaar of twintig geleden voor het eerst in Amsterdam kwam, was Rob van Essen. We ontmoetten elkaar op een uitgeverij, een redacteur gaf me zijn eerste romans mee: Reddend zwemmen, waarin de hoofdpersoon terechtkomt in de Moeder Aller Polonaises, en Troje. Beide las ik stuk.

Het liedje dat de hoofdpersoon in die boeken zingt, ‘Wat doe ik hier, wat doe ik hier – bis, bis, bis’, zing ik nog steeds weleens bij mezelf.

Hierna volgden veel romans en verhalen; elk boek was beter dan het vorige. Toen ik Winter in Amerika (2017) had gelezen, schreef ik hem meteen: ‘Hier ga je heel hoge ogen mee gooien, dit wordt een dikke klapper, zeker weten.’

Ik had me vergist. Het boek kreeg juist veel pech in de kritiek. Sommigen begrepen het niet, zoals de stagiair van NRC Handelsblad, maar wilden zich toch kritisch laten gelden. Bij anderen riep de roman gevoelens van ongerichte boosheid op, zoals bij Carel Peeters, volgens wie de roman ook nog eens vol stond met ‘kut’ en ‘fuck’. Wat niet waar is: in 224 pagina’s staat maar drie keer ‘kut’ en één keer ‘fuck’.

‘Door zijn stuk aan Arie Storm op te hangen’, schreef Rob op zijn blog, ‘kreeg ik wel het idee dat Peeters over mij heen iets met iemand anders uitvocht. Hoewel, ‘over mijn hoofd heen’ – dwars door mijn hoofd heen, eigenlijk. Dwars door mijn hart.’

Ik begreep niet waarom mensen het verhaal niet begrepen. Als het ook maar een klein beetje meerduidig werd, raakten ze al meteen van de leg. ‘Het lijkt wel’, zei ik eens tijdens een etentje, ‘met surrealisme, bedoel ik’, voegde ik toe, ‘alsof mensen het niet begrijpen.’ Rob legde zijn bestek neer. ‘Ja’, zei hij. ‘Dat heb je wel vaker met surrealisme.’

Waarop ik zei: ‘Ja, komt een dadaïst bij de psychiater: ‘Niemand begrijpt mij.’’ En veel te hard begon te lachen, alsof ik het grapje zelf had bedacht, terwijl hij dat eigenlijk al had gedaan, hij had het laatste denkstapje alleen aan de ander gegund.

Ik geloofde dat je zo moest schrijven. De dingen tot het laatste denkstapje voor de lezer zou moeten klaarleggen. Ik dacht tenminste dat dit een goede manier kon zijn om de lezer bij het verhaal te betrekken, hem deelgenoot te maken, mede-bedenker, trots op de vondsten in zijn sprankelende geest.

Twee weken geleden won Rob van Essen de Libris Literatuurprijs voor zijn weergaloze roman De goede zoon. Ik zag het op tv gebeuren; ik had ook meegedongen, maar was niet zo ver gekomen. Eerder al zag ik Tommy Wieringa in een televisieprogramma voor mijn ogen de Bookspot Literatuurprijs winnen voor zijn fantastische roman De heilige Rita.

Twee keer een belangrijke literaire prijs verloren aan een vriend. Dat had beter andersom gekund, hoor ik u denken, maar zo zit ik voorlopig niet in elkaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden