ColumnMax Pam

Verklaar Gerard Reve voor verwerpelijk en er is nog hoop dat hij daarom gelezen zal worden

In 1955 schreef Willem Frederik Hermans over een van zijn generatiegenoten: ‘Henri Albert Gomperts behoort tot de vergeten schrijvers. Daarom wijd ik van tijd tot tijd een herdenkingsartikel aan hem.’ Gomperts was vooral recensent en dus schreef Hermans ook nog: ‘Letterkundige kritiek lijkt op sneeuwruimen. Je ruimt iets op dat op den duur ook vanzelf verdwijnt.’ Deze gemenigheidjes zaten Gomperts lang dwars, maar toen Hermans veertig jaar later stierf, leefde Gomperts nog. Inderdaad als een vergeten schrijver met een klein, vergeten oeuvre.

Zou iemand nog weleens Gomperts’ bundel Jagen om te leven opslaan? De schrijver schrijft niet voor de sport, maar om te overleven. Toch is er een verschil met het beest dat jagen moet voor voedsel en dat verschil ligt in wat Gomperts ‘de menselijke conditie’ noemt, een begrip dat eerder was geïntroduceerd door André Malraux als La condition humaine. Wie weet nog wat dat is? Ik vermoed dat deze vraag op geen enkele middelbare school nog wordt behandeld.

Vergeten worden is een schrikbeeld voor veel schrijvers, vooral als dat proces zich al tijdens zijn (of haar, enz.) leven afspeelt. Beter af is de schrijver, die pas na zijn dood wordt vergeten. Pech heeft de zeldzame schrijver, wiens werk na overlijden ineens succes en roem ten deel valt. Die kan er niet meer van genieten — mag je aannemen.

Onlangs werd bekend dat de Nederlandse jeugd totaal geen zin meer heeft in lezen. Op ranglijstjes staan onze jongeren helemaal onderaan. Literatuur wordt beschouwd als iets van vroeger. Literatuur is saai, suffig, vooral geschreven en bedoeld voor witte ouwe mannen, of voor damesleesclubjes in de provincie. Deze ontwikkeling heeft uiteraard gevolgen voor het vergeten van onze schrijvers. Het tempo ligt inmiddels zo hoog dat de vergetelheid zelfs bij De Grote Drie heeft aangeklopt.

Hermans, Mulisch en Reve zijn voorbij, voorgoed voorbij. Aan hun levens en werken worden nog, als aan een laatste stuiptrekking, herdenkingsartikelen en programma’s gewijd, maar ook die gewoonte zal spoedig opgebrand zijn.

Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat Willem Frederik Hermans werd geboren. Het zal dan ook precies veertig jaar geleden zijn dat ik Hermans interviewde voor deze krant. Bij die gelegenheid stelde ik hem de vraag wie van de drie het eerst zou afvallen wanneer een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur wordt geschreven. ‘Misschien ik’, antwoordde hij toen, ‘de taal die ik gebruik komt over dertig jaar misschien niet meer voor.’ Niet dertig, maar veertig jaar heeft het geduurd. Hermans was dus te pessimistisch, maar niet eens zo veel.

In Nieuwsuur beklom Onno Blom een trap om de boeken van Gerard Reve te zoeken, die ergens op de bovenste plank stonden. Mooi werk, maar niet meer binnen handbereik. Rein Wolfs, directeur van het Stedelijk Museum, zei onlangs dat hij vroeger erg veel van Gerard Reve had gehouden, maar dat zoiets tegenwoordig echt niet meer kon. Je zou bij Reves boeken eigenlijk een disclaimer moeten plaatsen met de tekst dat zijn werk in het huidige tijdsgewricht zedelijk niet langer verantwoord is. Niet moedig zo’n waarschuwing, maar misschien nog de beste manier: verklaar een schrijver voor verwerpelijk en er is nog hoop dat hij daarom gelezen zal worden. Zo zijn er nog altijd lezers, die stiekem een boek van De Sade uit de kast pakken.

Een studente zei in Nieuwsuur dat zij de Grote Drie niet meer las, omdat in hun werk geen vrouwen voorkomen (oh) en als zij er wel in voor zouden komen, die vrouwen heel anders zouden praten dan de vrouwen van nu. Het is een redenering, maar je kunt schrijvers moeilijk verwijten dat hun personages praten zoals er in hun tijd werd gepraat. Als je dat verwijt accepteert, kun je nooit meer literatuur van enige betekenis doorgeven aan een volgende generatie. Het Stedelijk Museum wordt op die manier een Museum voor Modieuze kunst. Daar zou ik trouwens ook wel naar toe willen.

Coen Verbraak herdacht Harry Mulisch in de documentaire Schepper van zichzelf. Plaats van handeling was Harry’s werkkamer, die er nog precies zo uitzag als tien jaar geleden op zijn sterfdag. In dit mausoleum kwamen de leden van de Herenclub voorbij, zoals de entourage van de grote schrijver zichzelf graag presenteerde. Het indrukwekkendst vond ik Cees Nooteboom die als een uitgedijde walvis languit achterover hing in een clubfauteuil. Aan het eind kwamen de geredde paarden van Marrum weer langs die door het water stampten na dagen op een klein eilandje te hebben vastgezeten, dat alles onder de klanken van Tristan en Isolde. Het had Mulisch ontroerd. Ik herinner mij dat een deel van de paarden daarna naar de slacht is gegaan, maar Harry was inmiddels te dood om dat symbolisch te vinden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden