ColumnMax Pam

Vergeleken bij de Tweede Wereldoorlog is zo’n pandemie maar kinderspel

Beeld .

Gisteren zou ik ter ere van Bevrijdingsdag in de ­Grote Kerk van Harlingen een toespraak houden, maar vanwege het virus ging die niet door. Jammer, want ik had me erop verheugd. De naam Pam duikt in de 17de eeuw voor het eerst op – in Harlingen, waar hij rondgaat in een kleine enclave van Joodse barbiers en pruiken­makers. Mijn eerste vrouw (Joods) is geboren in Harlingen en haar ­vader (psychiater en helemaal klassiek Joods) was werkzaam in een nabijgelegen inrichting. We hebben daar eens voor gestaan en ik moest toen sterk denken aan ­Simon Vestdijk uit Harlingen, wat erg onrechtvaardig was, want zó gek was Vestdijk ook weer niet. Veel van zijn boeken heb ik verslonden, tot ik er opeens helemaal genoeg van had. Dat is ook ongeveer de werdegang van Vestdijks faam, ik moet dus niet de enige zijn die dit is overkomen.

Zoals velen bracht ik 4 en 5 mei thuis door. Ik las het boekje Wie herdenken wij op 4 mei?, dat is samengesteld door viroloog Jaap Goudsmit en zijn wetenschappelijke vrienden. Het laat mooi zien hoe het herdenken in 1946 is begonnen en waar wij 75 jaar later staan. Bij de eerste herdenking werden 10.200 slachtoffers herdacht. Dit jaar herdenken wij zo’n 295.000 slachtoffers.

Mocht je aanvankelijk nog zo’n beetje zelf beslissen hoe en hoe lang je contempleerde, het werd al snel één minuut en die stilte werd daarna tot twee minuten opgerekt. Als er geen corona tussen was gekomen, zou het zo zijn gegaan als met de begroeting, die begon met één kus en die de laatste jaren tot drie kussen is opgelopen. In elk geval geldt: hoe verder weg WOII, hoe langer de stilte en hoe meer slachtoffers er worden herdacht.

Het boekje doet je ook de vraag stellen: wie herdenk ik? Om eerlijk te zijn, heb ik weinig gedachten gehad tijdens al die minuten stilte die ik heb herdacht. Meestal kwam ik uit bij mijn eigen familie en dan in de eerste plaats bij mijn grootvader die in Sobibor is omgebracht en over wie ik ter nagedachtenis een roman heb geschreven. En dan natuurlijk bij mijn vader, die tot dat kleine groep Joodse overlevers behoorde.

In zijn standaardwerk heeft Loe de Jong enkele passages aan mijn vader gewijd en die herlees ik altijd op 4 mei. In opdracht van de ­illegale Parool-groep had mijn ­vader een baantje aangenomen bij de Joodse Raad. Wat daar gebeurde, moest hij doorgeven aan het verzet, die het weer doorgaf aan Londen. Zo noteerde hij dat A. Asscher en D. Cohen, de voorzitters van de Raad, aan hun medewerkers de opdracht gaven een kartotheek te maken van buitgemaakte meubelen uit Joods bezit.

Met afschuw vermeldt hij dat ‘er geldelijke premies zouden worden uitgeloofd aan degenen die een bijzonder groot aantal kaarten op één dag sorteerden’. Intern was men bij de Raad dus niet te ­beroerd op zich voor de Duitsers uit te sloven.

Die houding kwam terug in een andere kwestie, de distributie van gele sterren die Joden moesten gaan dragen. Het bevel van de Duitsers was om de distributie binnen drie dagen te regelen. Daartoe riep Cohen zijn medewerkers bijeen en gaf de opdracht dag en nacht door te werken, opdat de sterren toch nog op tijd konden worden bezorgd. Volgens De Jong was er slecht één medewerker van de Raad die ‘nee’ zei en weigerde aan de operatie mee te doen. Hij werd op staande voet ontslagen. Die ene medewerker was mijn vader. Hij is meteen ondergedoken.

Dit teruglezende, moest ik denken aan kleine gebeurtenis die ik lang was vergeten. Op een avond van de 4 de mei, nadat wij een minuut stilte hadden gehouden, zette mijn vader mij in het kinderzitje van zijn fiets. Zo reden wij naar een straat – ik meen in Amsterdam-Zuid – waar wij stopten voor een huis. Mijn vader wees omhoog, naar ramen met zware gordijnen die gesloten waren. Hij balde zijn vuist en riep: ‘Dat daar voor eeuwig de gordijnen gesloten moge blijven!’. Zwijgend maar met driftige tred fietste hij daarna terug naar huis, terwijl ik mij in een wolk van raadselen aan hem vastklemde. Pas later heb ik begrepen dat wij toen voor de woning van D. Cohen hebben gestaan.

Afgelopen maandag keek ik naar herdenkingstoespraak van de ­Koning, die zichzelf overtrof en zelfs mij voor even monarchist maakte. Wij hebben het maar gemakkelijk: vergeleken bij de Tweede Wereldoorlog is zo’n pandemie maar kinderspel. Nog een paar maandjes thuis met Netflix en wij kunnen in vrede en vrijheid weer naar buiten. Wie nee zegt, hoeft niet diezelfde dag onder te duiken. En zelfs het wc-papier blijkt niet op te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden