Essay Koerden

Vergeet niet hoe de Koerden wéér zijn bedrogen

Beeld Eleni Debo

Telkens opnieuw is haar volk verraden, opgejaagd, uitgemoord. Hoe het deze keer ook afloopt, schrijft de Nederlands-Koerdische Beri Shalmashi, vergeet ons niet. Niet nog eens.

Vier was ik toen Saddam Hussein in 1988 die grote gifgasaanval pleegde op de Koerden in Halabja. We woonden in Almere en ik had geen herinneringen aan onze vlucht uit Iran. Ja, ik had de sinistere droom ayatollah Khomeini door het toilet te spoelen zodat ik mijn grootmoeder kon bezoeken. Ik zag nooit veel van onze mensen, behalve tijdens bruiloften. Dan dansten we in wijkcentra tot mijn voeten niet meer konden. Tot onze mensen het journaal haalden in maart 1988. We waren op tv: kinderen en volwassenen die op de koude grond voor hun huis naar de hemel gaapten met een levenloze blik. Ik zat aan de buis gekluisterd. ‘Koerden’, legde de nieuwslezer uit. Alsof hij over een bedreigde diersoort sprak. Dat waren wij feitelijk wel, een bedreigd volk. Om en nabij de veertig miljoen, waarvan er tijdens de doelgerichte volkerenmoord op de Koerden, de Anfal-operatie van Hussein tussen 1986 en 1989, zo’n tweehonderdduizend zouden omkomen. Ik was te jong om te begrijpen wie tegen wie vocht, maar ik voelde het verdriet van mijn vader en moeder.

De ene keer was het een genocide, andere keren een liquidatie waarbij goede vrienden van mijn ouders in vredesoverleg met Iran hier in Europa werden omgebracht. Er bestaan foto’s op internet van deze mensen en hoe zij kapotgeschoten over stoelen hangen in restaurants in Wenen en Berlijn. Vorig jaar nog bestookte Iran een kamp van Iraanse Koerden in Irak met raketten, waarbij zeventien mensen over wie ik een film aan het maken was in oorverdovende stilte om het leven kwamen. Ver voor mijn geboorte werd mijn oom geëxecuteerd door de sjah. Mijn eigen moeder werd gemarteld in de gevangenis toen ze zwanger was van mij. Khomeini had haar generatie mensenrechten beloofd om draagvlak te creëren voor zijn revolutie.

Naïeve hoop

Wie de geschiedenis een beetje kent, moet misschien lachen om de naïeve hoop van de Koerden die dachten dat ze die rechten werkelijk zouden krijgen. Het lachen is mij voorgoed vergaan sinds Trump heeft gezegd: weet je wat, jij Erdogan met je lange arm, ga jij maar lekker met de Koerden klooien. Mijn troepen gaan naar huis.

Als ik een kraaltje zou krijgen voor elk verraad dat de Koerden doorstonden, had ik nu een ketting vol smart om mijn hals. Mijn generatie kende Koerdistan van de feestjes, maar ook van demonstraties waar we na elke wandaad naartoe reden. Het Malieveld, de Dam. Als jong meisje hield ik fier onze vlag omhoog. Zielsgelukkig als een Nederlandse voorbijganger mij vroeg wat die betekende. Koerdistan, vier landen, Syrië, Irak, Iran en Turkije, één verhaal, vijanden, verdriet. Ik kan het riedeltje nog zo opdreunen. Ik groeide op in een veilig land, met hinkelen op het schoolplein, Villa Achterwerk en kip met patat en appelmoes. Maar er was iets anders aan mijn familie en mij, anders dan bij mijn klasgenootjes. Wij hadden alleen elkaar. Geen oma, geen opa. Geen tante, geen nichtjes. Vreugde en leed kwamen mondjesmaat binnen door de telefoon. Soms via de grote Philips-televisie in de kast in de woonkamer.

Elk jaar smelt een stukje van mijn hoop, als het ijs van de kappen op de Noordpool. Als dit zo doorgaat, is mijn hoop niet meer dan een plas van wee en bedrog die steeds groter wordt. Misschien was dat het water dat ik vorig weekend met mijn laarzen raakte in het natte gras van het Malieveld, toen ik voor de zoveelste keer meeliep in een demonstratie. Ik had mijn nichtje van elf meegenomen, strijderssjaaltje om haar nek, Dopperflesje in haar Fjällrävenrugtas. Helemaal klaar om er maandagochtend op school in de kring over te vertellen. Keer op keer hetzelfde verhaal. Een andere generatie, hetzelfde gedonder. Koerdistan, vier landen, één verhaal, vijanden, verdriet. Ik had gewild dat zij dit nooit had hoeven zien. Dat dit de beste uiting is die we aan de wanhoop kunnen geven: op een grauwe zaterdag naar een drassig grasveld trekken om te scanderen dat Erdogan een terrorist is.

Erdogans haat jegens de Koerden is zijn grootste handelsmerk. Ik kan niet verteren dat de Amerikanen hem als de wolf die hij is op ons pas teruggewonnen land hebben losgelaten. Schuimbekkend holt hij over onze grond. Niet om ons gewoon te doden, maar om ons te vernietigen. Zoals zijn troepen deden met politica Hevrin Khalaf, midden op de weg. Haar moeder heeft haar uit elkaar gereten lichaam opgehaald en liefdevol begraven. Een vrouw die stond voor een nieuwe politieke wind, voor een toekomst, voor gelijkwaardigheid. Ze werd voor het oog van de tweetende wereld vermoord. Voor iemand die is opgegroeid met dode volksgenoten op tv kan ik bar slecht tegen dat soort beelden. Hoe kan dit nog steeds gebeuren?

Ik vraag mijn nichtje waarom ze meeloopt in de demonstratie en diep van binnen hoop ik dat ze straks naar de Starbucks wil en die wandeling door Den Haag voor lief neemt. Maar ze weet waarom we hier staan. Ze weet van het verdriet van haar ouders. We treffen vrienden die net als ik niet kunnen slapen, maandag niet, dinsdag niet, vrijdag niet. En vanavond ook niet. De regen komt met bakken uit de hemel, maar ik wil geen paraplu.

Beeld Eleni Debo

Naar Koerdistan

Op mijn achtentwintigste verhuisde ik naar Zuid-Koerdistan, het enige Koerdische gebied met een vorm van zelfbestuur in die tijd. Het was 2012, ik woonde in een rijtjeshuis in een aangeharkte nieuwbouwwijk. Op een dag stonden er twee jongens voor mijn deur, zo jong als mijn nichtje nu is. Ze droegen een foto bij zich van omgevallen bakstenen, een voormalig huis. Of ik iets te eten had. Dat had ik. Ik had heel veel wat zij niet hadden. Waaronder een jeugd met cassettebandjes van Kinderen voor Kinderen. De Koerden kregen tijdens de chaos van de Arabische Lente hun gebieden onder controle. De Koerden, die in Syrië zo onwaardig werden behandeld dat ze niet alleen als Koerd niet werden erkend, maar zelfs als Syriër geen papieren kregen. Er breekt iets in mijn wezen bij de gedachte dat Assad, van wie zij zich acht jaar geleden hebben losgetrokken, nu hun enige hoop op overleven is.

Twee jaar nadat ik koekjes, water en geld had gegeven aan die jongens voor mijn deur, woonden hun families nog altijd in zelfgebouwde hutjes aan de rand van mijn wijk. Wachtend tot ze terug naar huis konden. In een van de hutjes was een meisje geboren, achter de waslijn lag in een hoek van de kamer een man op sterven. Hele levens hadden zich verplaatst om voorgoed in de tijdelijkheid vast te lopen. Voor we het wisten, stroomde de stad vol auto’s en verloren zielen die van Mosul naar Erbil waren gereden omdat Da’esh – IS –, een raar woord dat steeds vaker werd rondgefluisterd, hun hele stad overnam. In Syrië kwam hetzelfde op gang.

Wegwerphelden

IS kleurde de groene bergen zwart. Ze wrongen de menselijkheid uit alles wat ze tegenkwamen. Alles. Vrouwen werden gebruikt, kunst werd vernietigd, olie werd gestolen, bruggen gesloopt, kinderen verkocht. Alles moest kapot. Ze kwamen tot een kwartier van mijn deur. De stateloze Koerden werden plots de noodzakelijke kracht achter een internationale operatie om IS te verslaan. Er kwam een coalitie waarvan ook Nederland deel uitmaakte. En wij werden bekend als de beschaafde soldaten die voor zichzelf en namens de wereld onkruid mochten verdelgen. Maar de Koerden zijn meer dan de wegwerphelden die we door IS mochten worden. Meer dan onze offers, telkens weer. Meer dan de troepen die naar de hel mochten marcheren.

Ik bezocht in 2015 de bergen waar mijn vader en moeder ooit streden, recht tegenover Iran, in het vizier van de vijand die daar vanuit helikopters Koerdische koeriers neerschiet die de grens oversteken. Het ligt er vol mijnenvelden die zijn blijven liggen uit verleden oorlogen. Daar, op de grens tussen de ene onderdrukker van de Koerden, Iran, en de andere, Turkije, werd ik geconfronteerd met onze werkelijkheid. We zijn omringd door dictaturen met een diepe haat jegens ons volk, die geen enkel militair middel zullen schuwen om ons te vernietigen. Erdogan was druk met het ruïneren van Koerdische steden in Turkije, maar niet te druk om ons die nacht in de bergen te verrassen met wat het grootste trauma uit mijn leven zou worden: minutenlang vijf F-16’s boven mijn hoofd. Alsof je in je kist moet liggen wachten op je dood en iemand ’m alvast wil dichtspijkeren. De hemel gloeide even geel, een knal, stilte. Het had mijn einde kunnen zijn. Mijn niksige einde. Op een plek waar je zelfs dood niet zomaar wegkomt.

Donkere dagen

Tijdens het protest op het Malieveld komt er een vriend naar me toe gewandeld. De donkere dagen van de herfst kwamen vroeg voor hem dit jaar. Zijn familie zit vast in een stad waar Turkije zich een weg doorheen wil walsen. Hoe praat je tegen iemand wiens kommer nog dieper in de vezels is getrokken dan bij jou? Soms is het alsof Koerdisch zijn een chronische aandoening is, die af en toe zo hardnekkig de kop opsteekt dat iedereen het kan zien. Zoals nu. In voormalig Rojava. Wie kan, die vlucht. Zoals wij vroeger deden. Zoals ze na ons deden, uit Irak. Terwijl we al die tijd in gevecht tegen IS onze rug rechthielden, steden als Kobani bevrijdden, met bommen van Europa en de pers erbij op de bühne, vanaf een heuvel aan de overzijde, over de grens in Turkije. Dat land dat toen vluchtelingen tegenhield en onderwijl de terroristen tegen wie wij vochten, opknapte in hun ziekenhuizen.

We waren lange tijd alleen. Tot nu. Want iedereen heeft gezien wie wij zijn. Het helpt dat mijn Nederlandse vrienden nu bellen om te praten, petities laten rondgaan voor een no-flyzone en meelopen bij demonstraties. Hoe kan het dat Rutte vanuit zijn toren niet verder komt dan minimale maatregelen? Hoe verteert hij dat een VVD-Kamerlid op televisie doodleuk vakanties van Corendon naar Turkije verkiest boven mensenlevens? Is er genoeg ruggegraat om Turkije uit de Navo te flikkeren? Gaan we zitten wachten tot die losgeslagen IS’ers de eerstvolgende vlucht hiernaartoe nemen? Kijken we toe hoe het ‘staakt-het-vuren’ wordt gebruikt om Koerden van hun land te verjagen naar gebieden waar nog wordt gebombardeerd, terwijl Erdogan vluchtelingen neerplempt op hun grond? Noord-Syrië is verworden tot de grootste vuilstortplaats van onze beschaving. In deze oorlog gaven de Koerden elfduizend levens, er vielen ontelbaar veel gewonden. Om vervolgens uit de klauwen van de ene vijand terug in die van de ander te worden geduwd. Als we West-Koerdistan moeten inleveren, is dat onvergeeflijk. Den Haag heeft het gezien. De zich ontpoppende genocide door Erdogan, de losgelaten honden van IS, Assad die zich in de handen wrijft en Poetin die er komende week ook iets over mag zeggen. Wat er ook staat te gebeuren, vergeet ons niet. Vergeet niet hoe de Koerden vochten. Hoe waardig we vochten. Hoe de Koerden de IS-gevangenen humaan behandelden. En vergeet niet hoe we alweer werden bedrogen.

Beri Shalmashi is een Nederlandse publicist en filmmaker. Haar roots liggen in Iraans-Koerdistan. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden