Peter Middendorp

Vanzelf komt er geen einde aan ongelijkheid, vanzelf wordt ongelijkheid juist groter

Nu mijn moeder is verhuisd, rijd ik op andere manieren door Emmen. Ik kom aan mijn oude middelbare school voorbij, het Katholiek Drents College, dat nu anders heet, en aan de kleine woonwijk in de oksel van een groot en druk kruispunt, het Meerveld, die door ons Smeerveld werd genoemd – een benaming die achteraf zowel het lot van de wijk lijkt te beschrijven als de bereidheid van de rest om zich daarom te bekreunen.

De huizen in het Meerveld zijn niet groot. Een woonlaag hebben ze, met een verdieping onder een laag, schuin dak, waaronder zich de slaapkamers zullen bevinden. Het was geen rijke wijk, nog altijd niet, denk ik. De bewoners hadden relatief weinig opleiding en werk. Je leerde ze niet kennen, je kwam ze volgens mij ook nergens tegen, al moesten er van mensen uit het Meerveld aardig wat bestaan.

Ik kende alleen een jongen, een vriend van een vriend, die verkering had met een meisje uit de wijk. Het was een stoere jongen met lang, golvend haar en een jeep-achtig autootje, zeg maar een jeepje. Hij gebruikte het briefgeld uit de kassa van de kledingwinkel waar hij werkte om in het café elk drankje opzichtig met een briefje van honderd te kunnen betalen, en vulde de volgende dag alles weer netjes aan.

Toen hij zijn meisje van huis had afgehaald – eerst even koffiedrinken in de woonkamer – en ze met zijn tweeën in het jeepje zaten, kwam de vader nog even naar ze toe. Hij klopte op het raampje en toonde een vuist waaruit, van tussen de wijs- en de middelvinger, een duim-top piepte. ‘Wel neuken, hè!?’ riep hij. ‘Wel neuken!’

En ’s avonds laat, toen hij haar weer thuisbracht, stond de vader op een been in de deuropening. ‘Zo vriend’, zei hij, ‘laat jij je vingertjes maar eens ruiken.’

Op de terugweg reed ik over de andere kant van de weg langs de wijk. Nu zag ik dat er aan elke boom in de berm een geel hesje was gespijkerd, waarop met zwarte stiften teksten waren geschreven, die niet meer goed leesbaar waren. Ze waren ‘het zat’, kon je nog lezen, en ze waren ‘tegen het pact van Marrakesh’.

Vanzelf komt er geen einde aan ongelijkheid, vanzelf wordt ongelijkheid juist groter. Al stonden de huizen er fris bij, viel me op. Veel mooier dan ik me dacht te kunnen herinneren. Opgeknapt, leek het wel, opgepoetst – er was geen spoor van de grauwsluier die de uitlaatgassen over het Meerveld moesten hebben gelegd.

Misschien was het een mooie dag. Misschien gaat het er wel goed. Misschien ziet de wereld er sowieso veel mooier uit de dertig jaar geleden – of Emmen, vooral.

De laatste keer dat ik er langskwam, zag ik dat ze de gele hesjes hadden weggehaald. Alleen een hesje hing er nog, zonder tekst, schoongewassen door de regen – vergeten op te ruimen of als een herinnering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden