Van recessie naar depressie

De wereld staat een economische depressie te wachten zoals die van de jaren dertig van de vorige eeuw. Daar kwam de wereld weer uit. De geschiedenis herhaalt zich.

Het ergste moet nog komen. De financiële crisis is wereldwijd overgeslagen van de banken naar de echte economie. Banken lenen elkaar al lang geen geld meer uit, maar nu blijkt dat ook bedrijven en burgers de dupe worden van hun schraapzucht en falende beleid van de afgelopen jaren.

Daardoor zijn zowel de Verenigde Staten – waar alle ellende begon – als Japan, Europa en ook Nederland in een recessie terechtgekomen. Een wereldwijde recessie, wat zelden voorkomt, in combinatie met de huidige kredietcrisis vormt een dodelijke cocktail. Dit zal leiden tot een recessie in het kwadraat, een depressie.

Doemscenario

Dit doemscenario baseer ik op de conjunctuurgolven van de Russische econoom Nikolai Dmitrievitsj Kondratieff (1892-1938), die de goederenprijzen en het investeringsgedrag van de twee eeuwen daarvoor analyseerde en hierin een constante golfbeweging ontdekte. Deze cyclus van vijftig à zestig jaar werd later onderverdeeld in vier perioden, ook wel seizoenen genoemd.

De lente wordt beschouwd als opbouwfase, de zomer als consolidatiefase, de herfst als plateau of stabilisatiefase en tot slot de winter als liquidatie of afbraakfase. De lente wordt gekenmerkt door inflatie, de zomer door stagflatie, de herfst door desinflatie en de winter, ten slotte, door deflatie. Deflatie (‘uitblazen’) staat voor daling van het algemeen prijsniveau en daaraan gekoppeld waardevermeerdering van het geld en eventuele schulden.

Herfst

De ontwikkelingen tussen 1920-1929 en 1980-2000 vertonen veel overeenkomsten. In beide herfstseizoenen: was aan het begin de inflatie zeer hoog, maar werd deze steeds minder en sprak men van desinflatie; begon de rente stevig te dalen en konden centrale banken de geldhoeveelheid sterk verhogen; ging het geld richting aandelen, obligaties en huizen, die sterk in prijs stegen, en niet langer naar goederen, waardoor de inflatie en rente almaar daalden

Overheden verlaagden de belastingtarieven drastisch; de groei van de economie was vooral afhankelijk van consumentenbestedingen; de schulden van iedereen name immens toe, de inkomensverschillen werden steeds groter en ontstond er een kloof tussen rijk en arm.

Er werd door massa’s mensen hevig gespeculeerd op de huizen– en aandelenmarkten en bereikten deze absolute recordniveaus; er was sprake van grootscheepse fraude, hoewel de meeste fraudegevallen pas jaren later bekend werden en zouden leiden tot grote financiële schandalen en ondermijning van het algemene vertrouwen.

Vernieuwing

Centraal in beide perioden was het ontstaan van nieuwe productievormen en nieuwe beroepen: in de jaren twintig door de opkomst van auto, film en radio en in de jaren tachtig en negentig door computers en internet. Deze vernieuwingen leidden tot groot vertrouwen in de economie, dat zich vooral vertaalde in stijgende aandelenbeurzen en huizenprijzen. Economieën groeiden maar door.

Alles ging goed en alles kon.

Omdat een duidelijke verklaring niet te geven was, dachten veel economen dat de nieuwe productievormen de oorzaak waren. Ze meenden dat een periode was aangebroken van nieuwe economische omstandigheden.

Volgens de economen was er een gouden tijd aangebroken van structurele, hoge economische groei die de conjunctuurcycli, recessies en werkloosheid permanent zou laten verdwijnen. In de jaren twintig spraken zij daarom in de Verenigde Staten van ‘A New Era’ en in de jaren negentig had iedereen het over ‘A New Economy’.

Spiraal

Aan de opgaande spiraal van toenemende en elkaar versterkende economische groei, investeringen en aandelenkoersen kwam in 2000 en in 1929 abrupt een einde doordat de aandelenkoersen, vooral op Wall Street, kelderden. Toen bleek dat de koersen zelfs fors konden dalen, dat de economische groei inzakte en de verwachtingen veel te hooggespannen waren geweest.

Het sprookje was uit. De zeepbel was doorgeprikt.

Op het moment dat duidelijk werd, in 2000, dat de ‘nieuwe economie’ een waanvoorstelling was gebleken, zagen we tot 2003 de keerzijde. Uitbundige consumptie en economische groei maakten plaats voor afnemende bestedingen en economische stagnatie. Hoe meer iedereen met geleend geld had uitgegeven, des te harder werd de economie getroffen.

Wereldwijd daalden de beurskoersen. Winst op aandelen verdampte en sloeg om in verlies. Inkomensstijging sloeg om in -daling. Krediet bleek schuld te zijn waarover niet alleen rente moest worden betaald, maar die ook moest worden afgelost. Zo hard als alles gestegen was, zo hard daalde het nu. De crisis leidde tot een golf van faillissementen en ontslagen, bezuinigingen bij overheden en druk op de salarissen.

Fraude

De omslag van hebzucht in angst toonde ook een andere schaduwzijde aan van de ‘nieuwe economie’: grootscheepse fraude. Bedrog is van alle tijden, maar bijna systematische fraude is uniek. Er kwamen verrassend veel en ongekend grote fraudepraktijken aan het licht. In de jaren dertig werd duidelijk dat veel Amerikaanse bankiers en industriëlen – de volkshelden van de jaren twintig – op een corrupte manier aan hun rijkdom waren gekomen.

Waarbij vooral belastingontduiking een favoriete bezigheid bleek te zijn geweest.
De grootste fraudeur destijds was Ivar Kreuger. Deze zakenman wist met aandelen van de ene firma als onderpand, geld te lenen om de volgende firma te kopen, die vervolgens weer als onderpand werd gebruikt voor een geldlening om een derde bedrijf te kopen. Enzovoort.

Betalingsproblemen

Totdat hij door de economische crisis in betalingsproblemen kwam en inzage moest geven in zijn boekhouding. Toen bleek Kreuger voor 142 miljoen aan Italiaanse staatsobligaties te hebben geboekt die hij helemaal niet bezat, maar die hij wel als onderpand had gebruikt om zelf miljoenen te lenen.

Hij had nooit een lening verstrekt aan de Italiaanse staat. Het bleek slechts een van de vele frauduleuze praktijken waardoor hij wereldwijd banken en beleggers voor ongeveer 400 miljoen dollar had getild.

Grootscheepse fraude van één persoon kwam ook aan het licht op 11 december 2008, toen zakenman Bernard Madoff werd gearresteerd. Hij wordt ervan verdacht wereldwijd vermogende beleggers voor het onvoorstelbare bedrag van ruim 50 miljard dollar te hebben opgelicht.

De overeenkomsten tussen de herfstperioden in de Kondratieffgolf van 1920-1929 en 1980-1999 zijn talrijk en treffend. Op de herfstperiode volgt de winterperiode. Na de New Era van de jaren twintig volgde uiteindelijk de depressie van de jaren dertig. Na de Nieuwe Economie van de jaren negentig zal ook nu een depressie volgen.

Koersen

Hoewel in 1929 de aandelenkoersen op Wall Street tuimelden gedurende fase 1, maakten zij in 1930 ongeveer 50 procent van het verlies goed in fase 2. Halverwege 1930 begon de depressie pas echt toen, tijdens fase 3, de aandelenkoersen weer daalden, de economie wereldwijd inzakte, de Amerikaanse dollar en het Engelse pond circa 40 procent in waarde daalden, het protectionisme de kop opstak en in de VS 9.000 van de 25.000 banken failliet gingen. Hetzelfde proces voltrekt zich nu min of meer opnieuw.

In 2000 crashten de aandelenkoersen op de belangrijkste beurzen in de wereld. Net als in 1930 herstelden ze zich in fase 2 (2003-2007). Dat het economische herstel vanaf 2003 veel langer duurde dan in 1930, kwam door de nooit eerder vertoonde wereldwijde krediet– en speculatiegolf.

Die zorgde voor uitstel, maar geen afstel van executie.

Zeepbel

Integendeel zelfs. Hoe groter de zeepbel wordt opgeblazen, hoe meer lucht erin komt en des te meer lucht er ontsnapt als de bel knapt. Hoe groter de speculatiezucht, hoe groter de risico’s en hoe groter de verliezen.

De centrale banken bestreden de diepe recessie in de eerste fase door de rente naar absurd lage niveaus te laten dalen. In Europa ging de rente naar 2 procent en in de VS zelfs naar 1 procent. Doordat het rentepercentage lager was dan de inflatie was er sprake van gratis geld lenen. De Amerikanen begonnen dan ook massaal op de pof te leven en van alles te kopen. De aandelenbeurzen herstelden evenals de economieën.

Sterker nog, de geldgroei nam wereldwijd zulke grote vormen aan dat er sprake was van een tsunami aan krediet, dat zijn uitweg vond in aandelen, obligaties, huizen, grondstoffen en edelmetalen, die allemaal sterk in prijs stegen.

Vanaf midden 2007 echter ging het mis toen de kredietcrisis uitbrak waarmee de laatste – allesverwoestende – derde fase begon. In de Verenigde Staten zakten de huizenprijzen gemiddeld 20 procent, wereldwijd daalden de aandelenkoersen met de helft, kelderden de grondstofprijzen – vooral die van olie – en moesten banken honderden miljarden afschrijven, wat velen de kop kostte.

Putje

Er is alleen al in 2008 wereldwijd 30.000 miljard dollar verloren gegaan. Door het putje gespoeld. En deze gigantische kapitaalvernietiging gaat nog steeds door. De overheden kunnen daar weinig tegen doen. Zij kunnen met hun trage geregisseerde reddingsacties van enkele duizenden miljarden hooguit wat tegenwicht bieden aan deze kapitaalvernietiging en de pijn iets verzachten.

Alle middelen van de overheden hebben intussen hun grens bereikt. De huizen- en aandelenmarkten zullen verder dalen en nog veel meer banken – vooral in de hoeveelheid kapitaal die afgeschreven moet worden – in hun val meesleuren. De wereldeconomie stort in elkaar en veroorzaakt zo een economische depressie.

De angst regeert en iedereen houdt de hand op de knip. Burgers geven geen geld meer uit en bedrijven investeren niet meer. Speculeren is uit, sparen is in. Deze ontwikkeling heeft een verlammend effect op de economie. Want nog minder consumptie betekent nog minder productie, nog meer werkloosheid enzovoort.

Deflatie

Daardoor slaat de desinflatie van de afgelopen decennia om in deflatie: het omgekeerde van inflatie. Alles wordt dan goedkoper: aandelen, grondstoffen, huizen en de consumentenprijzen. Geld wordt vanzelf meer waard en datzelfde gaat op voor schulden, die automatisch groter worden.
Als de prijzen dalen – wat wereldwijd in sneltreinvaart gebeurt– wachten mensen met aankopen doen, want alles wat ze vandaag kopen, zal morgen goedkoper zijn. Dat betekent minder productie, hogere werkloosheid en salarisverlagingen. Als die negatieve spiraal eenmaal in werking is getreden en het vertrouwen helemaal zoek is, helpt weinig meer, ook niet een verlaging van de rente. Zelfs niet tot 0 procent.

Dan zal blijken dat alle maatregelen van de overheden weinig effect sorteren, en de aandelenbeurzen, huizenmarkten en de wereldeconomie komend decennium nieuwe, ongekende dieptepunten gaan bereiken.
De geschiedenis van de jaren dertig zal ons hierbij als leidraad kunnen dienen. Het is daarom zinnig komende jaren wat minder te vertrouwen op het oordeel van politici en economen en wat meer op dat van historici.
.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.