Column Stephan Sanders

Van rappe jonge vingers die in een vloek en een zucht alles uit een smartphone halen, word ik moedeloos

Stephan Sanders

Er kwam een jongeman op me af met een ernstige blik. De metro stond op vertrekken, maar die liet-ie lopen – ik dus ook. Eerst koptelefoon af. Toch hoffelijk. ‘Mijnheer, mijnheer nog van harte gecondoleerd met Djego.’ Hij legde een arm op mijn schouders, maar ik had nog nooit van deze Djego gehoord. ‘Djego, uw zoon’, hielp hij me nog, maar dat had ik als vader toch wel onthouden.

Toen kwam er iets van ongeloof in zijn stem, en ik werd van mijnheer een jij.

‘Kom je niet van de Antillen dan, van Curaçao.’

Vroeger vond ik het altijd zo sfeerverpestend, en zei ik ja, Suriname en ja, Antillen, want ik ken die landen maar ze moeten niet heel rap worden in het Sranan of Papiamento.

Maar nu zei ik ‘nee, Nederlands, en nog wat Zuid-Afrikaans’. Dat laatste voegde ik toe om er toch nog wat broederschap doorheen te smeren. Dat Zuid-Afrika zei hem niks, en net toen ik wilde vragen naar die Djego – was het een vriend? – zette hij zijn koptelefoon weer op.

Ik heb geen koptelefoon en ook geen smartphone; ik neem weleens een boek mee voor in de trein. Er zijn altijd oudere dames die mij bemoedigend toeknikken alsof ze een laatste soortgenoot ontdekken.

Verder zit iedereen gekleefd aan zijn scherm, en hoewel ik in vroege jaren nog wel lol beleefde aan mijn starende blik die nu nooit meer wordt gekruist, begin ik het vermoeden te krijgen dat ik steeds meer buiten het leven sta.

Ik verbaas me over de moeder op de fiets, twee kinderen in de bak, druk kruispunt maar haar eerste zorg is de telefoon. Ik zou het niet kunnen, op al die dingen tegelijk letten, en dan ook nog eens kinderen veilig thuis. Hoop je.

Nu Nederland niet meedoet aan het WK, we staan als verliezers buitenspel, valt het me op hoe gemakkelijk supporters een ander land nemen als een substituut zelf. België. Marokko, eventjes. Dat doet iets af aan het bikkelharde nationalisme dat hier en elders in Europa zou heersen. Mensen zijn ongelooflijk wendbaar, zelfs als het gaat over overtuigingen die ze zeer serieus nemen.

Ik mis de oranjestraten niet, het vlagvertoon, maar wel het gemeenschappelijke gesprek, dat iedereen, ook met weinig verstand van voetbal kon voeren. Dat gaat niet meer, want de oortjes zitten in de weg.

Sowieso valt het me op dat in een apotheek alleen Surinamers, bij voorkeur oude Surinamers, de hele wachtkamer groeten. Van verbazing trok een jonge meid haar oortje uit. ‘Is er iets.’

De dame, dodelijk: ‘Ik groet je.’

Dit moet voor de jonge vrouw een onbekend fenomeen zijn geweest, ze keek verbaasd en sloot zich snel weer vacuüm af.

Vroeger gold er een ongeschreven regel voor jongens dat ze niet teveel moesten babbelen. Toen de telefoon nog in de zitkamer stond of in de hal, was of mijn moeder of mijn zusje altijd aan de lijn. Mijn vaders gesprekken duurden kort. Hij deelde mee.

Maar dat taboe op babbelen is ook onder jongens geheel verdwenen. Van Amsterdam over Arnhem naar Zutphen, een lang telefonisch verhaal over een nieuwe broek en gave sneakers en geen woord over voetbal. Dat was dertig jaar geleden ondenkbaar geweest. Zijn jongens echt veel meer gaan praten? Waar halen ze de stof vandaan?

Ik had de naam een kletskous te zijn, maar ik leg het onmiddellijk af tegen deze jonge mensen, die altijd wat te delen hebben.

Ooit toen ik nog een ouderwets telefoontje bezat, stuurden mensen me dingen om te ‘sharen’. Gewoon, een tekstje of een pictogram. Ik wist niet wat ik er mee aan moest vangen. Het is toch alleen leuk als je er samen over kunt praten.

Als ik nu die rappe jonge vingers zie, die in een vloek en een zucht alles uit die smartphone halen, word ik moedeloos. Dat haal ik nooit meer in. Mensen die een auto kunnen besturen – ik heb ze onder mijn vrienden – maken me plaatsvervangend zenuwachtig. Etentjes met vrienden, die met een app betalen.

Nee, geen sms sturen, want dat klinkt gewrongen op de vaste telefoon.

Ik ga toch zo’n heel eenvoudig ding aanschaffen, de late leerling die altijd achterloopt. Het zombieleven lacht mij toe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.