Van morele vrijstelling naar morele vergunning

VAN MORELE VRIJSTELLING NAAR MORELE VERGUNNING
Pleidooi voor een nieuwe publieke ethiek voor de financiële markten

Socrates-lezing, Den Haag, 18 november 2009


1. Inleiding

Enkele jaren geleden kwam een medewerker van de bank, nog jong en erg nerveus, bij ons thuis op bezoek voor een ‘financiële check-up’. Het werd voor hem een teleurstellend gesprek. Alle basale verzekeringen en rekeningen hadden wij al. Daarom vroeg hij ons of we niet een aanzienlijk bedrag opzij zouden willen zetten voor onze droom: een mooie boot, een hoger pensioen, een tweede huisje? Toen we opmerkten een dergelijke geldverslindende droom niet te hebben, was hij oprecht verbaasd. En dat gold ook voor ons. Natuurlijk weten we allemaal dat op de markt elk aanbod probeert zijn eigen vraag te scheppen. Toch was het een bevreemdende ervaring, je eigen levensstijl zo lijdend voorwerp te zien worden van een zakelijk gesprek.
We kwamen te spreken over een of andere ingewikkelde financiële constructie. Ik weet niet meer wat het precies was, maar herinner me alleen zijn antwoord: ‘dat mag niet van de ethiek.’ Hij wist niet dat ik ‘in de ethiek werkte’ – dat idee zou voor hem waarschijnlijk net zo vreemd zijn geweest als zijn antwoord voor mij was. Bij nader doorvragen bleek hij te bedoelen dat de compliance code van de bank die constructie verbood. Hij riep daarmee bij mij het beeld op van een bankier met twee boeken op zijn bureau: het wetboek en de compliance code. Iets dat in één van beide boeken staat, kan niet door de beugel. Daarmee wordt ethiek geoutsourced – ethische geboden kun je opzoeken net als de bepalingen in het wetboek van strafrecht. En daarmee geldt omgekeerd: zolang iets niet in het boek staat, gaat het per definitie wél door de beugel. Over deze opvatting van ethiek wil ik het vanavond hebben.
Sinds het uitbreken van de kredietcrisis is alles voorwerp van debat geworden; van de meest gedetailleerde regulering in de financiële sector tot de meest fundamentele wetten van het kapitalisme. Economische analyses stonden daarbij voorop. Als de ethiek al ter sprake kwam was het meestal in simplistische termen, waarin de grenzeloze hebzucht van de bankiers werd gehekeld. Hier wil ik een poging doen onze gedachten over de morele kant van de crisis aan te scherpen. Daarbij zal ik twee stellingen verdedigen:

(i) het morele kernprobleem dat met de kredietcrisis aan het licht is gekomen, is niet zozeer dat van de grenzeloze hebzucht, maar dat van een verkeerde visie op de verdeling van morele verantwoordelijkheid. Het probleem is niet zozeer een gebrekkige persoonlijke ethiek bij enkele bankiers, maar een gebrekkige publieke ethiek voor de markt bij ons allen.

(ii) Die verkeerde publieke ethiek is er een van morele ontheffing van de markt: spelers in de markt zijn van morele verantwoordelijkheid vrijgesteld. In plaats daarvan zal ik pleiten voor een publieke ethiek waarin marktspelers opereren onder een morele vergunning, die zij moeten verdienen en ook kwijt kunnen raken.

Ik begin met een algemene uitleg van die laatste stelling. Daarna zal ik een analyse geven van drie centrale problemen die de kredietcrisis aan het licht heeft gebracht. Daarin zal ik laten zien waarom we de overgang van ‘morele ontheffing’ naar ‘morele vergunning’ zouden moeten maken.

2. De moraal van de markt

De dominante visie in onze samenleving, en ook in de ethiek, is dat spelers op de markt ‘ontheven’ of ‘vrijgesteld’ zijn van morele verantwoordelijkheid. Zij zijn niet gehouden rekening te houden met morele overwegingen, zoals gewone mensen buiten de markt dat wel zijn. Stelt u zich de ontheffing voor zoals wanneer een burger ontheffing krijgt van identificatieplicht of inburgeringsplicht. De plicht geldt voor alle anderen, maar niet voor hem. Hij is vrijgesteld. Dit geloof in de morele ontheffing van de markt vormt de kern van de liberale visie op de markteconomie.
Natuurlijk moeten de spelers op de markt zich wel aan de wet houden. In de wet staan morele geboden en verboden die voor iedereen gelden. Ik mag een ander niet vermoorden, bestelen of mishandelen, en die verboden gelden op de markt net zo goed als daarbuiten. Afgezien van de wet is de markt echter een ‘moraalvrije zone’. Vergelijk dit met een alledaagse situatie. We lopen op straat en zien iemand in nood: een oud vrouwtje wordt onwel, een kind dreigt te verdrinken, een bedelaar vraagt om geld. In zulke gevallen gelden bepaalde morele plichten. Op de markt is dat anders. Als onze concurrent op de hoek failliet dreigt te gaan, bieden we niet aan hem te helpen. Zijn faillissement is precies ons doel. Als de barman een stomdronken klant nog een biertje aanbiedt, geen probleem. De klant is zelf verantwoordelijk; en de tent moet wel draaien. “Zou je deze deal zélf sluiten, als jij de klant was in deze transactie?” Die bij uitstek morele vraag hoeft de verkoper zich niet te stellen. Zijn amorele houding is op de markt geoorloofd.
Waarom eigenlijk? Op welke gronden krijgt de markt deze morele ontheffing? De – wellicht verrassende – reden is dat de afwezigheid van moraal een hoger moreel doel dient. Zij staat het aan individuele spelers toe zich volledig te concentreren op hun eigenbelang. Alleen als iedereen dat doet, slaagt de markt namelijk in haar opzet, om een zo groot mogelijke welvaart voor iedereen te scheppen. Dat is de kern van de ‘morele ontheffing’ van de markt, vastgelegd in Adam Smith’s beeld van de ‘invisible hand’. De onzichtbare hand van de markt zorgt ervoor dat individuen die elk voor zich hun eigenbelang nastreven tezamen een zo groot mogelijke welvaart creëren. Als wij efficiënter zijn dan de concurrent, moet hij failliet gaan. De zwaksten moeten uitgeschakeld worden en de sterksten overwinnen. Alleen dan krijgt de consument op de lange duur de beste producten tegen de laagste prijs.
Nu zou u zich kunnen afvragen of marktspelers zich niet aan hun contracten moeten houden, eerlijke informatie geven over hun producten, meedenken met hun klanten en betrouwbare zakenpartners zijn? Is er niet een ‘minimale marktmoraal’ van dergelijke spelregels nodig om de markt goed te laten functioneren? Dat klopt en we vinden op elke markt dan ook vele verkopers die zich wel iets aan de belangen van hun kopers gelegen laten liggen. Maar is het bestaan van zo’n minimummoraal niet in tegenspraak met het idee dat er geen moraal op de markt is? Nee, want kenmerkend voor de vrijstellingsethiek is dat marktpartijen elkaar niets kunnen verwijten als zij zich niet aan deze minimumnormen houden. De verantwoordelijkheid ligt bij marktpartijen zelf om op hun hoede te zijn. Hun vrijwillige toestemming wanneer zij contracten aangaan, maakt het voor hen onmogelijk zich achteraf te beklagen. Iedereen die wel eens naar consumentenprogramma’s als Kassa of Radar kijkt, weet dat er altijd pogingen tot bedrog en oplichterij zullen zijn. Maar voorstanders van de morele ontheffing menen dat het zogenaamde ‘reputatiemechanisme’ ervoor zorgt dat de spelers zich wel van de meest nare praktijken onthouden. Publiciteit in allerhande media zal ervoor zorgen dat het niet loont om morele verantwoordelijkheden te ontlopen. Niemand wil als een bedrieger bekend staan, want dan lopen de klanten weg. Onbetrouwbare zakenpartners schieten zichzelf in de voet en zullen door de concurrentie geëlimineerd worden. Daardoor lopen op de markt op de lange termijn eigenbelang en moreel gedrag keurig parallel. Markten zuiveren immoreel gedrag uit. Ze zijn in moreel opzicht zelfregulerend.
Dit zijn de kerngedachten van de publieke ethiek van de morele vrijstelling. Zoals aangegeven pleit ik voor een heel andere publieke moraal, die van de morele vergunning. Wat houdt die in? Een ethiek van ‘morele vergunning’ verwerpt het idee dat markten zelfregulerend zijn. Markten opereren onder een morele vergunning die zij verkrijgen van de samenleving waarin ze zijn ingebed en die altijd weer kan worden ingetrokken. De basispositie is er niet één van impliciete ontheffing, maar van een expliciet fiat dat marktspelers permanent moeten verdienen. Er zijn twee verschillen met de ontheffingsethiek. Ten eerste wordt een vergunning alleen verleend voor bepaalde doeleinden. Alleen die zijn moreel in de haak, de rest is verboden. Het is dus geen algemene carte blanche. Ten tweede kan een vergunning altijd weer worden ingetrokken. Waar een ontheffing voor onbepaalde tijd geldt, moet een vergunning telkens opnieuw worden verlengd. Het principe van de morele vergunning moet u – net als de morele vrijstelling – begrijpen als een metafoor. Het gaat niet per se om echte, juridische vergunningen, zoals een verblijfsvergunning voor buitenlanders of een vergunning voor een marktkraampje op het dorpsplein. Toch is de analogie leerzaam. Zulke juridische vergunningen bieden eveneens alleen aanspraak op de rechten die in de vergunning bepaald zijn, kan worden opgezegd als de vergunninghouder buiten zijn boekje gaat, en moet periodiek vernieuwd worden op basis van een recente beoordeling van de vergunninghouder. De vergunningverlener houdt daarmee de touwtjes in handen. Wat deze metafoor van de morele vergunning in de praktijk vereist, zullen we zodadelijk zien.
Waarom is de morele vergunning een beter model dan de morele vrijstelling? Het centrale idee van de vergunningsethiek is dat markten, wanneer aan hun morele lot overgelaten, niet automatisch de grootst mogelijke welvaart zullen genereren. De onzichtbare hand is niet onfeilbaar, waardoor markten soms grote schade kunnen veroorzaken. De liberale idee is dat die schade voor eigen rekening van marktpartijen zelf moet komen: “dan hadden ze maar niet zo stom moeten zijn…”). De vergunningsethiek gaat er daarentegen vanuit dat die schade moet worden toegerekend aan hen die haar veroorzaken. Met andere woorden, de schuldige marktpartij kan verantwoordelijk gehouden worden voor de schade van de gedupeerde marktpartij en kan zich niet redden door te wijzen op de vrijwillige toestemming van de laatste. De vrijwilligheid in het hart van de liberale vrijstellingsethiek wordt hiermee gerelativeerd. Of beter, in feite wordt de rol van vrijwilligheid tussen enkele marktpartijen overgenomen door die van een vrijwillig gesloten ‘sociaal contract’ op een hoger niveau, tussen alle burgers.
Het idee van een sociaal contract is in de geschiedenis van de politieke theorie vaak gebruikt om duidelijk te maken waarom de staat – soms grote en gewelddadige – macht over haar burgers mag uitoefenen. Burgers maken een onderling contract waarin zij een staat oprichten die hen beschermt tegen onderdrukking van andere burgers. In het contract limiteren die burgers echter uitdrukkelijk de macht die de staat daartoe tot haar beschikking krijgt. De regering moet daarover in verkiezingen voortdurend verantwoording afleggen. Zij moet laten zien dat zij haar macht niet heeft misbruikt, en kan worden weggestuurd indien zij dat wel heeft gedaan. We kunnen dit principe van het sociale contract net zo goed toepassen op de markt. In het sociale contract krijgt de markt geen ongelimiteerde macht toegewezen, maar slechts een voorwaardelijke vergunning. Alleen die activiteiten die geen schade toebrengen aan burgers, zijn toegestaan. Marktpartijen moeten daarover verantwoording afleggen. Bij schending van het sociale contract volgt een morele veroordeling en zonodig ook politiek ingrijpen door de staat.
Laten we deze abstracte uitgangspunten toepassen op drie centrale problemen die in de kredietcrisis aan het licht kwamen. Ik zal het achtereenvolgens hebben over de rol van de bankproducten, de bonussen en de belastingbetaler.

3. De bankproducten

De eerste en meest directe aanleiding van de financiële crisis lag in de verstrekking van ondeugdelijke bankproducten. De belangrijkste feiten zijn bekend. Er waren banken in de VS die (zgn. ‘sub-prime’) hypotheken verschaften aan personen die onvoldoende kredietwaardig waren. Daardoor vormden deze hypotheken een groot risico, zowel voor de banken die ze aanboden als voor de consumenten die ze aangingen. Vervolgens werden deze hypotheken herverpakt en doorverkocht (‘securitisatie’) aan andere financiële instellingen, om zo de risico’s te verspreiden. Voor de kopers van deze securities was het risico daardoor echter volstrekt niet meer te achterhalen. Kredietbeoordelaars (de zgn. rating agencies) gaven met behulp van ingewikkelde computermodellen voor deze producten echter een gunstige risico-inschatting, waarin de kans dat grote hoeveelheden hypotheken nooit zouden worden terugbetaald, stelselmatig werd onderschat. De problemen braken uit toen grote hoeveelheden consumenten hun hypotheek niet meer konden betalen. Zij waren bijvoorbeeld gelokt met een kunstmatig lage rente voor een of twee jaren, waarna die rente plotseling sterk steeg, met het voorspelbare gevolg dat hun inkomen niet toereikend was om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. De rest is geschiedenis.
Wat is nu het morele probleem met deze producten? In de kern gaat het erom dat hypotheekverstrekkers hun klanten hebben misleid over de risico’s van de producten die ze aanschaffen. Die misleiding is moreel onaanvaardbaar wanneer marktpartijen onderling sterk verschillen in kennis, informatie, intelligentie en onderhandelingscapaciteiten. Bij complexe financiële producten is dat al snel het geval. Waar menigeen in de bankwereld zelf de risico’s niet kon doorgronden, kan van consumenten niet verwacht worden dat zij dat wel kunnen. Dat maakt het hoogst problematisch terug te vallen op de vrijwillige toestemming van consumenten. Zij zijn de zwakkere marktpartij en behoeven bescherming tegen de streken van sterkere marktpartijen. Dat een dergelijke bescherming niet alleen in de VS nodig is, hebben de afgelopen maanden wel bewezen. Ook in Nederland hebben we met de koopsompolissen van DSB en anderen een sterk staaltje gezien van de schade die aan vele gezinnen werd aangericht door malafide verkooppraktijken.
Gebeurde een dergelijke misleiding bewust? Dat hoeft niet. Wellicht waren de verkopers zelf ook overtuigd van de soliditeit van hun producten. Voor een morele beoordeling maakt dat echter niet uit. Het gaat er niet om welke risico’s geldverstrekkers daadwerkelijk zelf hebben gezien. Waar het om gaat is of zij die risico’s hadden moeten zien. Dat is een belangrijk onderscheid dat in het morele en juridische verkeer zeer gebruikelijk is. Als een auto door rood rijdt en een fietser aanrijdt is hij aansprakelijk, ook als hij zegt dat hij het rode licht ‘niet gezien heeft’. Hij wordt geacht het rode licht gezien te hebben. Dat hoort bij de bekwaamheden die hij geacht wordt als bezitter van een rijbewijs te hebben. Voor een bankier geldt iets soortgelijks. Iedereen die enkele avonden spendeert aan het lezen van enkele beschrijvingen van de geschiedenis van financiële crises, weet hoe desastreus speculatie met tulpen, huizen of internet start-ups kan uitpakken. Van bankiers kan bekendheid met deze literatuur zeker verwacht worden. Bieden zij toch dergelijke producten aan, dan is sprake van moreel falen.
Kunnen bankiers zich nu op de morele ontheffing beroepen om de verkoop van deze ondeugdelijke producten toch te rechtvaardigen? De kern van de morele ontheffing is, zoals we gezien hebben, dat de markt zelfreinigend werkt. Producenten met slechte producten zullen een slechte reputatie krijgen, het vertrouwen van de klant verliezen en ten onder gaan. Het probleem is echter dat dit reputatiemechanisme in de financiële sector overduidelijk niet functioneerde. Vele van de meest risicovolle banken hadden een uitstekende reputatie. De ondoorzichtigheid van de producten maakte het voor klanten moeilijk deze goed te beoordelen. Als alle grote spelers in de markt daaraan meedoen, en toezichthouders ook niet aan de bel trekken, heeft de klant niet echt de mogelijkheid om slechte banken te bestraffen door weg te blijven.
Een vergunningsethiek zou daarom de zaken omdraaien. Banken zouden, zoals de econoom Willem Buiter voorstelt, net als medicijnen vooraf toestemming moeten krijgen voor het op de markt brengen van nieuwe producten. Die toestemming wordt pas verleend na een langdurige testfase. Alle niet geaccrediteerde producten zijn verboden. De vergunningsethiek is hier meer dan een metafoor. Zij vraagt om een letterlijke, juridisch afdwingbare vergunning voor financiële producten. Het toezicht achteraf wordt daarmee vervangen door toezicht vooraf, de specifieke vergunning komt in de plaats van een algemene ontheffing, omdat die slechts kan worden ingetrokken als de schade al is aangericht. De invoering van een dergelijk vergunningenstelsel zal op veel weerstand kunnen rekenen. Tijdens de laatste Algemene Financiële Beschouwingen kreeg Minister Bos veel aandacht voor zijn uitspraak dat provisies op koopsompolissen van 80% ‘totaal idioot’ zijn. Veelzeggender is echter wat hij direct daarna zei, toen SP-kamerlid Irrgang hem vroeg of totaal idiote dingen niet verboden moeten worden:
‘Ik ben bang dat precies dit het verschil is tussen de SP-fractie en de rest van de Kamer. Nee, er gebeurt helaas een heleboel idioots in deze wereld wat wij niet verbieden. Je kunt daarbij mensen een eigen verantwoordelijkheid geven en mensen kunnen die verantwoordelijkheid prima aan. (…) De ervaring tot nu toe leert dat mensen zelf wel inzien dat zij bepaalde producten niet moeten afnemen als je helder maakt hoeveel provisie ze daarvoor moeten betalen.’

We herkennen hier het liberale argument bij uitstek voor de morele ontheffing. Als Bos gelijk heeft dat de SP in dit opzicht alleen staat in de Kamer, belooft het nog een lange weg te zijn naar een omslag in het denken. In allerlei andere sectoren vinden we het volstrekt normaal dat er grenzen zijn aan de ondernemersvrijheid ten behoeve van de bescherming van consumenten. Het is tijd aan de status aparte van de financiële sector een einde te maken.

4. De bonussen

Een tweede probleem dat aan de wieg stond van de kredietcrisis was het verstrekken van omvangrijke bonuspakketten aan het topmanagement en de tophandelaren van financiële ondernemingen. De vrijstellingsethiek is ook hier glashelder: bonussen in de financiële sector zijn betalingen aan werknemers door commerciële bedrijven. Er is geen enkele grondslag om daar een moreel oordeel over te hebben. Moeten we ons daarbij neerleggen?
Het morele karakter van bonussen is een lastig onderwerp. Waarschijnlijk komen nergens zozeer tegengestelde principiële intuïties over wat juist is en wat niet aan het licht. De morele kern van het bonusprobleem lijkt mij te zijn dat zij een manier van zakendoen stimuleert waarin winstmaximalisatie het hoogste gebod wordt, zowel op het niveau van het bedrijf als voor de persoon die de bonussen krijgt. Dat leidt tot een basale omkering van het doel van economische activiteit, waar Aristoteles, Marx en anderen al voor waarschuwden. Oorspronkelijk is het doel van een economische prestatie het bevredigen van menselijke behoeften, waarbij een al dan niet bescheiden winst aan het eind van de dag slechts een middel is (een winst die weer kan worden geherinvesteerd om zodoende nog meer behoeften te bevredigen). Maar nu wordt het doel het vermeerderen van kapitaal, en het bevredigen van behoeften van klanten, werknemers, leveranciers en anderen wordt daartoe een willekeurig middel. Hier komt de hebzucht om de hoek kijken.
Dit mechanisme is niet uniek voor financiële markten. Als ik een groep studenten vraag ‘waarom geeft een leraar les?’, krijg ik meestal een antwoord in de trant van ‘omdat hij leerlingen iets wil bijbrengen’. Het doel van zijn vak wordt geformuleerd in de waarde van de inhoudelijke dienst die hij levert. Als ik hen vraag: ‘waarom verkoopt een schoenenfabrikant schoenen?’, zeggen ze: ‘om winst te maken’. We kunnen beide motieven in de praktijk moeilijk scheiden. Natuurlijk geeft de leraar óók les om zijn salaris te ontvangen en werkt de schoenenfabrikant óók om mooie schoenen te produceren waar hij trots op kan zijn. Toch veronderstellen we dat het externe motief (winst) voor marktspelers vooropstaat, en het interne motief voor anderen. En deze veronderstelling leidt tot een self-fulfilling prophecy. Als je mensen in de marktsector wijs maakt dat het hen eerst en voor alles om de winst gaat, zullen zij op den duur zich daarnaar gaan gedragen.
Maar wat is daar nu precies verkeerd aan? De voorstanders van de morele ontheffing van de markt zouden kunnen zeggen: ‘het siert een mens wellicht niet, om zo zijn eigen inkomen boven alles te stellen, maar het is toch geen kwaad? Wie zijn wij om een oordeel te vellen over wat een ander motiveert zijn werk te doen?’ Aristoteles’ antwoord hierop is voor ons vandaag de dag problematisch. Hij betoogde dat het streven naar telkens meer winst ‘onnatuurlijk’ is, omdat het bevredigen van behoeften het ‘werkelijke’ doel van de economie is. Maar is het winststreven wel onnatuurlijker dan dat intrinsieke motief? Dat is lastig hard te maken. Ik zou het morele probleem met bonussen daarom anders lokaliseren. De bonus is niet zozeer intrinsiek immoreel, maar hij moedigt immoreel gedrag aan. Het kwaad van de bonus is dus een afgeleid kwaad. Ze stimuleert het nemen van onverantwoorde risico’s, waardoor vele anderen gedupeerd kunnen worden. De neiging ontstaat om de winst op korte termijn op te drijven, waar later pas zal blijken dat de handel niet zo goed was als hij leek. Innovaties worden in de markt gezet die geen toegevoegde waarde voor de economie als geheel blijken te hebben. Ook ontstaat de neiging de zaken op de korte termijn mooier af te spiegelen dan ze later blijken te zijn. Bedrog en fraude worden zeer winstgevend en daarmee verleidelijk. Het is ‘penny wise pound foolish’, behalve voor de betrokkenen, die op de lange termijn al vertrokken zijn. Hier ontbreekt een elementaire wederkerigheid: de bonusontvanger heeft de lusten, anderen de lasten.
Welke conclusies moeten we verbinden aan deze morele overwegingen? Een vergunningsethiek moet het toekennen van bonussen aan concrete, juridische vergunningen onderwerpen. Een beroep op vrijwillige matiging is niet genoeg. De belangrijkste reden daarvoor is dat alleen regulering in staat is om het eeuwig terugkerende argument van de arbeidsmarkt van zijn kracht te ontdoen. Pas als alle spelers op de markt onderworpen zijn aan dezelfde beperkingen, loont het niet meer om de werkgever te dreigen met opstappen naar een ander bedrijf indien de bonus niet hoog genoeg uitvalt. De regulering die de G-20 onlangs heeft afgesproken koppelt bonussen aan werkelijk gerealiseerde winst op de lange termijn. Dat is een eerste stap maar het is niet genoeg. Een plafond voor bonussen is eveneens noodzakelijk. Want als de voorhangende worst maar groot genoeg is, zal de creativiteit van bankiers geen grenzen blijken te kennen. Hoewel we kunnen twisten over de speelruimte die er voor variabele beloning over zou moeten blijven, is duidelijk dat het niet om veel geld kan gaan. De bonus zou weer een leuk extraatje moeten worden, bijvoorbeeld ter grootte van tien of maximaal twintig procent van het jaarsalaris.

5. De belastingbetaler

Dat brengt ons bij een derde morele probleem dat door de kredietcrisis opnieuw duidelijk is geworden. Grote financiële instellingen kunnen zich grote risico’s permitteren want ze weten dat de staat hen uit de brand zal helpen wanneer het misgaat. Ze zijn ‘too big to fail’. Er is daarmee sprake van een pijnlijke morele asymmetrie: in goede tijden zijn de lusten voor de bank, in slechte tijden de lasten voor de belastingbetaler. Net als de bonussen zet ook deze asymmetrie een premie op roekeloos gedrag. Eventuele schade kan moeiteloos op anderen afgewenteld worden. En hoewel de precieze kosten van de kredietcrisis onduidelijk zijn, is die schade aanzienlijk. Afgezien van de directe kosten voor de staat, bestaan ze uit de kosten van de wereldwijde recessie. Het is gemakkelijk om te vergeten, maar de grootste schade van de crisis wordt gedragen door diegenen die er het minste mee te maken hebben: de allerarmsten. Voor hen is de crisis een zaak van leven en dood. Zo schatte een rapport van de Wereldbank dat in Afrika alleen al 200.000 a 400.000 zuigelingen extra zullen overlijden. Natuurlijk kunnen we bankiers hierom nog niet dood door schuld ten laste leggen. Maar het roept op zijn minst de vraag op of zij zich op hun morele vrijstelling kunnen beroepen.
De schade van de crisis aan derden is in feite wat economen een ‘extern effect’ noemen; extern omdat de niet-betrokken derde partijen buiten de financiële transacties staan die de schade hebben veroorzaakt. Nu maken economen een onderscheid tussen gewone en pecuniaire externe effecten. Wanneer een fabrikant afvalwater in een rivier loost en daarmee de gezondheid van omwonenden aantast, is sprake van een gewoon extern effect. De gezondheidsschade heeft niets te maken met de markttransacties tussen de fabrikant en haar afnemers. Deze schade kan in principe aan de fabrikant verweten worden: hij had de bewoners buiten zijn markttransacties moeten houden. Als een markttransactie echter effecten heeft op derden via beïnvloeding van de marktprijs is sprake van een pecuniair extern effect. Als bijvoorbeeld nieuwe fabrikanten toetreden tot de markt, kan dit de prijs (en daarmee omzet en winst) voor de bestaande fabrikanten omlaag brengen. Dit kunnen we de nieuwe fabrikanten echter niet verwijten – het behoort tot het marktspel dat zij zich een eigen klantenkring proberen te vergaren. De externe effecten van hun bedrijvigheid op de bestaande fabrikanten ontstaan omdat nieuwe en oude fabrikanten allebei in dezelfde markt opereren. Ze zijn daarom ‘all in the game’ van de betreffende markt. De morele vrijstelling geldt onverkort.
Vanuit dit onderscheid kunnen we de indirecte gevolgen van de kredietcrisis op zo’n beetje alle aardbewoners als een massief pecuniair effect classificeren. Wij zijn allen door talloze economische transacties met de financiële markten verbonden. Moet hier niet net als voor andere pecuniaire effecten de morele ontheffing gelden? Op dit punt aangekomen lijkt mij de speciale aard van de financiële sector van doorslaggevend belang. Deze verkoopt niet zomaar een product, maar krediet – de smeerolie van de economie. Daarmee laadt zij een extra verantwoordelijkheid op de schouders. Gaat er iets mis in de financiële sector, dan merkt de hele economie daar de gevolgen van. Dat betekent dat ondernemen in deze sector niet hetzelfde kan zijn als ondernemen in andere sectoren. De belangen van degenen die afhankelijk zijn van krediet – dus van alle anderen in de economie – staan op het spel. In het voorbeeld van de benadeelde fabrikanten in een en dezelfde markt kunnen we nog stellen dat die fabrikanten gekozen hebben om in deze markt te opereren. De kredietcrisis heeft echter effecten op allerlei andere markten dan de financiële markten zelf. Aangezien niemand van ons ervoor kan kiezen zich uit al die markten terug te trekken, kunnen we ons niet aan de invloed van die financiële bedrijven onttrekken.
De publieke verantwoordelijkheid van de staat voor het redden van banken en de morele verantwoordelijkheid van banken om de rest van de economie te dienen, zijn twee kanten van dezelfde medaille. De financiële wereld werkt in feite permanent onder een publieke vergunning. Pas in slechte tijden wordt zichtbaar wat altijd al aanwezig is. De afwenteling van de kosten op de gemeenschap is onvermijdelijk, want ‘het systeem’ moet blijven functioneren. Maar dat betekent ook dat schending van de morele vergunning kan worden geconstateerd, met alle aansprakelijkheid die daarbij hoort. Er zijn genoeg concrete plannen te bedenken om aan dat idee handen en voeten te geven. De speciale bankenbelasting om (een deel van) de kosten van de crisis terug te vorderen lijkt me in dit opzicht een aantrekkelijk idee. Maar ook andere maatregelen kunnen deel van de oplossing zijn, zoals een uitbreiding van de persoonlijke aansprakelijkheid van bankiers, een scheiding tussen gewone banken en zakenbanken of hogere kapitaaleisen aan risiconemende banken. Een beoordeling van de economische merites van deze voorstellen laat ik aan anderen. Vanuit moreel gezichtspunt is het belangrijkste dat we het eens worden over het onderliggende principe – dat door een brand in het financiële huis niet ongestraft de rest van de straat in rook mag opgaan.

6. Conclusie

De financiële sector kenmerkt zich door een stuitend gebrek aan schuldbesef. Bonussen worden dit jaar uitgedeeld die hoger zijn dan ooit tevoren en de securitisatie-praktijken zijn weer op gang gekomen. Uit niets blijkt dat de samenleving de financiële geest weer in de fles heeft weten te krijgen. Wij zijn blijkbaar nog steeds in de ban van de vrijstellingsethiek. Dat maakt het beteugelen van het financiële kapitalisme tot een moeizaam proces. Wij moeten financiële markten weer leren zien als ‘gewone’ morele plaatsen, waarvoor de principes van morele toerekening, schuld en verantwoordelijkheid gelden als voor ieder ander. Dat vereist het afscheid nemen van een lang gekoesterde speciale uitzondering.
Betekent dit nu dat de bal bij de politiek ligt? Waarom heb ik al die tijd gesproken van een nieuwe ‘publieke ethiek’ voor de markt, en niet van een nieuwe ‘politiek’ voor de markt? Alle gesuggereerde maatregelen – van goedkeuring vooraf voor financiële innovaties tot beteugeling van bonussen, bankbelastingen en andere – zijn immers politieke maatregelen. Wat is hier nog over van de morele verantwoordelijkheid van de markt zelf? Veel. Het is zeker waar dat de politiek de hoofdrol zal moeten spelen. Maar de verantwoordelijkheid kan nooit alleen bij staat en toezichthouders liggen, al was het maar omdat die niet almachtig zijn en ook kunnen falen. Door te spreken van een ‘publieke ethiek’ wordt duidelijk dat de morele verantwoordelijkheid voor het onderhouden van die ethiek bij het hele publiek ligt, dus ook bij commerciële spelers. De tegenstelling tussen alleen politieke regulering of alleen eigen morele verantwoordelijkheid is een valse tegenstelling.
Zo moeten banken aan politieke controle meewerken en het draagvlak daarvoor niet op allerlei manieren proberen te ondermijnen. Zij moeten zich vrijwillig onthouden van het verzinnen van nieuwe malafide producten. Daarnaast geldt de morele verantwoordelijkheid echter ook voor consumenten. Zij kunnen zich steeds minder verschuilen achter hun achterstand in informatie en zullen meer dan ooit kritisch consument moeten zijn. Ook moeten zij zich organiseren in consumentenbewegingen die de financiële sector nauw in de gaten houden. Ten slotte is er een verantwoordelijkheid voor alle burgers en de publieke opinie om zowel de staat als de markt scherp bij de les te houden. Regulering is het fundament onder deze gespreide verantwoordelijkheid. Reguleren betekent niet vertrouwen op het morele engelenschap van private partijen, maar het scheppen van een institutionele omgeving waarin moreel gedrag wordt bevestigd in plaats van ontmoedigd door de heersende juridische normen.
Dat al deze partijen een verantwoordelijkheid hebben, betekent ook dat zij allen medeverantwoordelijk waren voor de crisis. Dat roept een ongemakkelijk beeld op: iedereen verantwoordelijk, niemand verantwoordelijk. De regulering van de financiële sector zou alleen al daarom dé inzet van de volgende verkiezingen moeten worden. Dat dreigt nu niet het geval te zijn, omdat de recessie de politieke aandacht afleidt van de crisis die haar veroorzaakte. Dat zou zonde zijn, want de controle over de financiële sector is een testcase waarin niet alleen de financiële sector zelf op het spel staat. Hier moeten we bewijzen dat we het vuur van de markt, dat ons op goede dagen warm houdt, maar ons op slechte dagen dreigt te verslinden, opnieuw effectief kunnen beteugelen. Er is voorlopig weinig reden optimistisch te zijn. Het momentum voor hervormingen lijkt al weg te ebben. Alleen met grote volharding zullen de gewenste resultaten tot stand komen. Maar daarvoor moeten we het eens zijn dat het idee van een morele vrijstelling voor de markt failliet is, en iets als de hier in hoofdlijnen geschetste nieuwe publieke moraal voor de markt gewenst is. Daarover ga ik graag met u in debat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden