Column Ibtihal Jadib

Van Hayat naar Ibtihal Jadib: ‘Mijn pseudoniem Hayat was mijn heimelijke liefde geworden’

‘Met open vizier.’ De hoofdredacteur herhaalde de term steeds vaker als het over mijn column ging en keek me daarbij veelbetekenend aan. Ruim twee jaar alweer was ik bezig met semi-per ongeluk schrijven, waarbij ik een behaaglijke deken van anonimiteit om me heen had geslagen. Mijn pseudoniem Hayat was mijn heimelijke liefde geworden, een affaire die misschien wel zo magisch was juist omdat niemand ervan wist.

Mensen die zichzelf vrijwillig in de schijnwerpers plaatsen roepen bij mij altijd een mengeling van verwondering en verwarring op. Ik begrijp niets van het mechanisme waar die types last van hebben, waardoor ze alles eruit gooien wat ze in zich dragen.

Behalve aanleg ontbeer ik daarvoor ook training, want als Marokkaans meisje had ik vroeger helemaal geen stem nodig. De programma’s die mijn ouders op mijn harde schijf installeerden waren gehoorzaamheid, vlijt en zedelijkheid. Daarmee zou ik het ver schoppen in het leven, niet met zoiets als een eigen mening. Dat werd al snel te brutaal geacht en bovendien was het ook een risico, want een eigen mening zou zomaar eens het begin kunnen zijn van een eigen identiteit, en dan waren de rapen helemaal gaar. Nee, als meisje diende je vooral te weten wanneer je een stapje terug moest doen en, met een buiginkje, achterwaarts de kamer kon verlaten.

Ik werd ruw uit de droom van mijn ouders geholpen toen ik rechten ging studeren en kennismaakte met studenten die zich in debatten stortten om over welk onderwerp dan ook te oreren alsof hun leven ervan afhing. Jezelf overtuigend en nadrukkelijk in de wereld zetten, dáár ging het om!

Het werd mij al snel duidelijk dat die studenten waren opgevoed door ouders die zelf ook een rol van betekenis hadden in de samenleving. Een schril contrast met mijn eigen ouders, die met een eeuwig minderwaardigheidscomplex al blij waren dat ze zich staande konden houden in een land waar zij slechts te gast waren.

Alles bij elkaar bevond ik me in een uitzonderlijk comfortabele positie: de samenleving verwachtte, gezien mijn afkomst, weinig van mij, en van mijn ouders hoefde ik ook niets in mijn hoofd te halen, want we mochten al blij zijn als we het leven zonder kleerscheuren konden doorkomen.

Niemand keek naar me, of zat te wachten op wat ik te vertellen had. Ongezien kon ik mijn gang gaan, een beetje experimenterend struikelde ik van het ene avontuur in het andere. Als het goed ging hoorde ik: ‘Hé die Marokkaan kan wel wat’, en als het slecht ging, nou dan lette toch niemand op me.

Dat ‘open vizier’ beviel me dan ook niets. De hele zomer heb ik er buikpijn van gehad en me afgevraagd of dit dan niet hét moment was om te stoppen. Die Hayat-affaire was leuk, maar om nou met mijn kop pontificaal in de krant te staan is ook weer zo’n ding.

Toch viel het me zwaar afscheid te nemen. Ik betrapte mezelf erop dat ik onze geheime zaterdagochtendontmoetingen wel heel leuk ben gaan vinden. Er zit meer schrijversdrang in me dan ik had gedacht. Gelukkig heb ik een oplossing gevonden: als u nou doet alsof u niets heeft gehoord, doe ik alsof ik niets heb gezegd. Dan blijft Hayat ons binnenpretje en hoeft verder niemand iets van onze liefde te weten, oké?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden