Van 1918 tot 2018: Hongarije in overzicht en de opkomst van Victor Orbán

De opstanden tegen Moskou in Oost-Europa waren nationale opstanden. Het Hongarije van Orbán staat dan ook niet op zichzelf, betoogt Olaf Tempelman. Wantrouwen tegen de buitenwereld kenmerkt de hele regio. 

Billboard van regeringspartij Fidesz met de tekst ‘Stop de kandidaten van Soros!’ (afgebeeld te midden van oppositiekandidaten). Foto REUTERS

Als mensen wereldwijd de naam van een premier van een klein land kennen, duidt dat meestal op weinig goeds. In 1998 wist u niet wie de premier van Hongarije was, in 2018 weet u dat wel. De premier van Hongarije laat van zich horen met anti-vluchtelingenhekken, wetten tegen Joodse filantropen van Hongaarse origine en het tarten van de Europese Unie. Veel West-Europeanen spreken er schande van, maar je hebt er ook die juist met Orbán flirten.

In een tijd waarin de naam Victor Orbán op zoveel lippen ligt, is bijna vergeten dat Hongarije twintig jaar terug gold als een van de succesvolste nieuwe democratieën in het oude Oostblok. Zowel Hongaarse als West-Europese publicisten roemden destijds de lange Hongaarse traditie van civiel zelfbewustzijn. In het Habsburgse Rijk waren Hongaren met de Verlichting in aanraking gekomen. Hun verlichtingstradities contrasteerden scherp met de duistere gewoonten van ‘icoonvolkeren’ à la Roemenen en Bulgaren. In Nederland kreeg de breuklijn tussen ‘verlichte’ en ‘duistere’ landen in het oude Oostblok volop bekendheid dankzij VVD-voorman Frits Bolkestein.

Anno 2018 kun je niet zo makkelijk meer betogen dat verlichting en democratie in Hongarije dieper wortel hebben geschoten dan elders. In historische analyses is de stemming omgeslagen. In deze krant (O&D, 10 april) schreef Erzsó Alföldy, journaliste van Hongaarse origine, over het tragische karakter van de Hongaarse geschiedenis. Duizend jaar lang was het steeds weer Hongarije dat in Europa ‘de klappen te verduren kreeg’.

Opkomst van Orbán is raadselachtig

Op het eerste gezicht zijn die twee lezingen van de Hongaarse geschiedenis – zelfbewustzijn versus lijdzaamheid – tegenstrijdig. Een overeenkomst is dat beide versies getuigen van Hongaarse uniciteit, uitmondend in Hongaars succes dan wel slachtofferschap. In geen van beide geschiedenissen zijn de Hongaren een ‘gewoon volk’ dat veel gemeen heeft met zijn buren in Midden- en Oost-Europa. De opkomst van Orbán is raadselachtig. In een land met verlichtingstradities haalt zo’n politicus geen absolute meerderheid. In een tragisch land is Orbán de volgende klap van het noodlot.

Een voordeel van een perspectief waarin Hongaren minder uitzonderlijk zijn en juist deel van hun regio, is dat het fenomeen Orbán begrijpelijker wordt. Diens opkomst is dan geen vreemd ongeluk meer, maar een voortvloeisel van nationalisme in een regio die ruim een eeuw terug nog vergaand multi-etnisch was.

In westelijk Europa liet nationalisme zich toen gelden binnen staten waarvan de landsgrenzen min of meer vastlagen – wie binnen die landsgrenzen vertoefde, werd geleidelijk Frans of Nederlands, het was ‘insluitend’ nationalisme. Oostwaarts schoot nationalisme in de 19de eeuw wortel in multi-etnische imperia – het Habsburgse (Oostenrijkse) imperium en het Osmaanse (Turkse) imperium. Volkeren die door elkaar woonden, gingen dezelfde gebieden opeisen. Dit nationalisme was ‘uitsluitend’: de claim van het ene volk sloot die van het andere uit.

Dit nationalisme ging hand in hand met verzet tegen imperiale autoriteiten. De voormannen van de Hongaarse nationale revolte kozen in 1867 voor een compromis met de Oostenrijkse keizer. In de Ausgleich kregen ze een gelijkwaardige status binnen diens imperium, resulterende in de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. De gebieden die nu onder Hongaars gezag kwamen, werden gestaag ‘Hongaarser’ gemaakt. Erzsó Alföldy stelt dat Hongaren nooit zoals West-Europeanen ‘expansionistische behoeften’ hebben uitgeleefd. Maar Hongariseringscampagnes in Slowakije, Transsylvanië, Kroatië en de Vojvodina hadden wel expansionistische trekjes.

In de Eerste Wereldoorlog zat Oostenrijk-Hongarije in het verliezende kamp. In Versailles veegden de geallieerden de Dubbelmonarchie in 1918-1920 van de kaart en verknipten Hongarije tot een rompstaatje. Het verloor tweederde van het gebied waarover het tot 1914 het gezag had uitgeoefend; miljoenen Hongaren kwamen terecht in nieuwe staten als Tsjecho-Slowakije of sterk vergrote als Roemenië. In die staten kwamen Hongaren aan hetzelfde soort nationalisme bloot te staan als waaraan zij vóór 1914 Slowaken, Roemenen, Serviërs, Kroaten en Oekraïners hadden blootgesteld.

Rancune

Dat is geen oude koek, althans niet in flink wat Orbán-gezinde media. Daarin kun je lezen dat 2018 net 1918 is. In 1918 kwamen West-Europese mogendheden bijeen in Versailles en waren Hongarije slecht gezind, in 2018 komen ze bijeen in Brussel.

Het typische van nationalisme is dat rancune er bijna altijd bij hoort. Nationalisme in ontbonden multi-etnische imperia bepaalde het lot van Oost-Europa in de 20ste eeuw. Alle landen werden gestaag etnisch homogener. De Tweede Wereldoorlog maakte grotendeels een einde aan de aanwezigheid van Joden en Duitsers in de regio. Op de oorlog volgde 44 jaar Sovjetbezetting. Opstanden tegen Moskou waren bij uitstek nationale opstanden. Sovjetrepressie leidde tot een uittocht van hoogopgeleiden én etnische minderheden: communistische regimes bedienden zich ongegeneerd van nationalisme. Wijlen Tony Judt stelde dat Oost-Europa in die tijd ‘provincialer’ werd – een contrast met West-Europa, dat in dezelfde periode een immigrantiegebied werd.

Het gevolg van deze geschiedenis is dat een politicus flink wat meer kiezers kan winnen dan in West-Europa als hij roept dat hij de nationale identiteit verdedigt tegen anti-Hongaarse, anti-Slowaakse of anti-Poolse krachten, of die nu huizen in de oppositie, in buurlanden, etnische minderheden of Brussel (dat wil dat je Syriërs opneemt, net nu je oude minderheden in aantal zijn gekrompen).

Appelleren aan bredere sentimenten

Orbán heeft in West-Europa geestverwanten als Le Pen, Wilders en Baudet. Die appelleren aan weerzin tegen Brussel en islamitische minderheden. Orbán en equivalenten appelleren aan bredere sentimenten. Orbán won het ene na het andere politieke gevecht door oppositiepartijen, media, rechters, schrijvers en flink wat anderen simpelweg te bestempelen als bedreigingen voor Hongarije en de Hongaarse identiteit. Waarschuwingen tegen de vijandelijkheid van een geëmigreerde Hongaarse Jood, George (György) Soros, sierden recentelijk zijn verkiezingsaffiches.

De erfenis van ‘uitsluitend’ nationalisme is de achilleshiel van alle democratieën die na 1989 in oostelijk Europa gestalte hebben gekregen. Op plekken waar de uniciteit van het eigen volk een geloofsbrief is, wordt de buitenwereld met wantrouwen bezien.

Dat wantrouwen is het politieke kapitaal van Orbán. Een democratie is kwetsbaar als iemand met afwijkende opvattingen kan worden weggezet als vijand van de volksziel.

Diverse Oost-Europese historici hebben de afgelopen twintig jaar gewerkt aan geschiedschrijvingen die niet worden gedomineerd door heroïek en tragiek van het eigen volk, maar waarin aandacht is voor het gemeenschappelijke verleden en de onderlinge verbondenheid van de hele regio. Veel van die geschiedschrijvingen werden gefinancierd door de Open Society Foundation van George Soros. Dat Orbán nu een Stop Soros-wet door zijn parlement wil jagen, is niet toevallig.

Olaf Tempelman is redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.