Column

Vakantie met kind maakt mij meedogenloos calvinistisch

We reden in de stromende regen het terrein van het hotel op. Het stond daar nog net zo stram en verweerd als de vorige keer. Een elegante koepel geflankeerd door een betonnen blok met talloze ramen. Als een chic hospice uit het begin van de 20ste eeuw. Verder was alles anders dan vier jaar geleden, toen ik in een zwart zomerjurkje en elegante slippertjes de trappen op wiebelde.

Nu zat ik met een luiertas en een rugzak op schoot, verpakkingen van krentenbollen aan mijn voeten, en kriebelden mijn ongewassen haren op mijn hoofd. De peuter had er al een poosje genoeg van en zijn gehuil was het laatste halfuur overgegaan in een monotoon maar fanatiek dreinen. Mijn vriend en ik waren de hele dag nét het randje van ruzie niet over gegaan, maar we wisten dat de kust nog niet veilig was. Pas als ons kind zou slapen en wij het stof in onze kelen konden wegspoelen, zou het weer gezellig worden. Té gezellig waarschijnlijk, waarvan we de volgende dag dan spijt zouden hebben omdat het hele riedeltje waaraan de jonge ouder is overgeleverd opnieuw zou beginnen.

Op een bepaalde manier is het leven met een kind meedogenloos calvinistisch. Frivoliteiten worden keihard afgestraft, rust en regelmaat beloond.

Vanavond konden de repercussies me weinig schelen. Het moest en zou even bijzonder worden als vier jaar geleden. Ik was toen met mijn beste vriend op vakantie en we genoten hysterisch van de overwoekerde tuin, het terras waarop Thomas Mann in een rolstoel niet had misstaan en de parmantige eetzaal waar drie dorpsbejaarden soep zaten te slurpen. Wat was ik heerlijk ongelukkig toen: zonder verkering, zonder idee wat ik met mijn toekomst aanmoest. Een week na die vakantie kwam ik mijn geliefde tegen, de rest is geschiedenis.

En nu was het tijd de cirkel definitief rond te maken. Ik zou in dat restaurant, met een verstilde glimlach rond mijn lippen, denken aan het meisje dat ik toen was. Ik mag graag met de nodige agressie de symboliek in mijn leven afdwingen, dat begrijpt u.

Het liep anders. De peuter wilde pas om negen uur slapen. Terwijl mijn vriend bij hem was, zat ik in de eetzaal met twee borden koude filet de boeuf. De bejaarden waren er nog wel, maar de serveerster had, waarschijnlijk voor ons, Franse house opgezet en dat haalde al het proustiaanse wel zo'n beetje van de situatie af. Toen mijn vriend eindelijk beneden kwam, mompelde hij: 'Wat een bizarre plek joh, het lijkt wel het hotel van The Shining.'

Daarna vroeg hij zich hardop af hoe ze zo'n gigantisch gebouw zonder gasten wisten te onderhouden en keurde de staat van de plafondbalken. Op het kletsnatte terras dronken we nog iets. We stommelden de trap op. Nog één glaasje wijn op de doodstille overloop bij onze kamer dan maar. Ik probeerde hem bang te maken door als een schokkerig horrormeisje door de gang te lopen. We moesten lachen. Opgelucht, ongecompliceerd lachen. Mijn opzet was mislukt, het verhaal was veranderd. Dit hotel: geen mythische haven voor de nostalgische mens, maar gewoon een heel rare plek om met je gezin te zijn. Op onze kamer lag de peuter met zijn bolle kont omhoog te snurken.

Ik voelde me compleet nuchter. En dat beviel me zeer.