Universitair onderwijs was vroeger veel slechter dan tegenwoordig

Bommeljé kraakt harde noten maar het bewijs is dun.

Vrijdag 7 januari maakte Bastiaan Bommeljé onder de kop ‘onderwijscultuur is door en door rot’ het hoger onderwijs in Nederland met de grond gelijk. Opvallend is dat de auteur, die als redacteur van het Hollands Maandblad vaak zegt de academische twijfel te koesteren, deze zelf nauwelijks lijkt te kennen. Zo stelt hij onomwonden dat er sprake is van een enorme kwaliteitsdaling in het hoger onderwijs.

Een rechtgeaard academicus vraagt zich dan meteen af hoe de kwaliteitsdaling is gemeten. Bommeljé maakt niet duidelijk welke gegevens hij gebruikt en of hij de huidige situatie met het verleden vergelijkt of met andere landen. Zijn bewijsmateriaal lijkt vooral anekdotisch.

Bommeljé heeft volkomen gelijk met zijn kritiek op de gebrekkige spelling van de hedendaagse student. Kofschip en fokschaap lijken met de millenniumwisseling definitief verdwenen. Gelijk heeft Bommeljé ook als het gaat om de studie-inzet in de bachelorfase. Daar kan echt wel een tandje bij. Toch is het de vraag of dit vroeger allemaal beter was. Bovendien stel ik vast dat het Engels (zeker de spreekvaardigheid) van de hedendaagse student vele malen beter is dan van eerdere generaties studenten en zijn ook hun presentatievaardigheden en retorische mogelijkheden groter dan van eerdere lichtingen.

Engels
In het licht van het feit dat steeds meer onderwijs in het Engels wordt gegeven en beelden meer en meer het geschreven woord aan het vervangen zijn (hoe jammer ik dit net als Bommeljé ook vind) kun je je afvragen of studenten niet gewoon reageren op wat de maatschappij van hen vraagt. Als mensen vooral plaatjes willen zien en alles in het Engels moet, waarom zou je je dan nog druk maken over het lezen van lappen tekst en het fokschaap?

Bommeljé wijst erop dat er ook, ‘toe maar’, slechte docenten bestaan. Dat is ongetwijfeld waar, net zoals er slechte uitgevers en slechte redacteuren zijn. Toch zal ook hij moeten toegeven, terugkijkend op zijn eigen studietijd, dat de kwaliteit van en aandacht voor het onderwijs op althans de universiteiten vele malen groter is dan in de jaren ’60, ’70 en ’80. Toen iedereen maar wat aanrommelde en we bij sociale geografie in het eerste jaar maar drie tentamens hadden en andere werkvormen onbekend waren.

Bewindvoerders die nu aandringen op sneller studeren en hogere studiebelasting, zoals Verhagen (negen jaar) en Zijlstra (zeven jaar), maakten zelf niet al te veel haast. De grotere vrijheid en geringere studiedruk in die tijd leidden er wel toe dat de studenten die de eindstreep haalden zelfstandiger waren en een bredere blik hadden.

Massacomsuptiegoed
Wel is in deze periode de universiteit verworden van een plek voor de elite tot een massaconsumptiegoed. Je hoeft geen Einstein te zijn om te weten dat als je het aantal studenten verdubbelt en het docentenkorps gelijk blijft, het gemiddelde niveau daalt. Zeker omdat diezelfde docenten zich ook als onderzoekers nog moeten onderscheiden op alle lijstjes die er tegenwoordig toe doen.

De vergelijking van de Nederlandse universiteiten met die van Oxford, Cambridge en Harvard, die ook Bommeljé weer opvoert, gaat mank. Natuurlijk zijn die universiteiten veel beter dan de Nederlandse, maar ze hebben ook veel meer geld. Ik durf wel de stelling aan dat onze prijs-kwaliteitverhouding op zijn minst vergelijkbaar is. Een bewijs daarvoor kreeg ik in mijn tijd bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar ik zag dat alle diplomaten rond de tijd dat hun kinderen gingen studeren, maar wat graag terugkwamen naar Nederland. Dat waren overigens dezelfde diplomaten die tegenover mij de mond vol hadden over de hoge kwaliteit van de Amerikaanse universiteiten.

Privaat geld
Wel komen we hier bij één van de fundamentele problemen in het Nederlandse onderwijs waar onderwijsgoeroe Leo Prick altijd op hamert: ‘Wij hebben wel heel erg weinig privaat geld over voor ons onderwijs’. Terwijl Amerikanen bereid zijn 25.000 dollar per jaar te betalen voor een plek op een private lagere school schrikken wij al terug voor een bijdrage aan het schoolgeld.

Kortom, Bommeljé kraakt harde noten, maar de bewijsvoering is dun. Wel heeft hij gelijk dat er te veel perverse prikkels bestaan. Zo is iedereen blij als een magere student via een oprot-zes zijn diploma krijgt, en zijn ook de opmars van de voorlichter en het verdwijnen van een open en kritisch debat serieuze problemen. De toenemende macht en hoge salarissen van de Colleges van Bestuur (waarom verdient de baas van een universiteit meer dan de baas van het land?) hebben de universiteiten ook geen goed gedaan.

Zinvol beleid zal moeten bestaan uit meer privaat geld in het onderwijs (bijvoorbeeld door een prijskaartje aan de masters te hangen), herinvoering van de inkomenstoets bij de basisbeurs en afschaffing van de OV-jaarkaart. Maar het draait vooral om de vraag of wij steengoed onderwijs voor weinigen of behoorlijk onderwijs voor velen willen.

null Beeld
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden