Opinie

'Uit discussie slavernij blijkt maar weer hoe weinig we van dat verleden weten'

Heel weinig verontwaardiging was er over de opheffing van het Nederlands Slavernij Instituut, schrijft bijzonder hoogleraar Ulbe Bosma. Maar uit de discussie die er wel over ons slavernijverleden was, blijkt maar weer hoe weinig we van dat verleden weten. En het zou juist om de inhoud moeten gaan.

Koning Willem-Alexander en koningin Maxima wonen de herdenking van de afschaffing van de slavernij bij in het Oosterpark in Amsterdam, begin juli. Beeld anp
Koning Willem-Alexander en koningin Maxima wonen de herdenking van de afschaffing van de slavernij bij in het Oosterpark in Amsterdam, begin juli.Beeld anp

De opheffing van het Nederlands Slavernij Instituut (NINSEE) op 1 januari 2013 heeft tot opvallend weinig verontwaardiging geleid. Wel ontstond afgelopen week als verlate oprisping een interessant debat over slavernijverleden, schuld en herstelbetalingen in de Volkskrant en op Volkskrant.nl. Het instituut zelf, schrijft Meindert Fennema (Volkskrant.nl, 9 augustus), was 'een club van sektarische Surinamers', dus daar hoeven we volgens hem geen traan om te laten. Wel vindt hij dat er meer moet worden gedaan om de geschiedenis van de slavernij levend te houden en de tot op de dag van vandaag voortdurende discriminatie van nazaten van de slaven aan de kaak te stellen.

Hij reageert daarmee op Thomas von der Dunks stelling (Volkskrant, 2 augustus) dat het onzinnig is om financiële compensatie aan te bieden aan de nazaten van de slaven. Het is volgens Von der Dunk immers niet duidelijk welke personen en landen ervoor in aanmerking zouden komen. Geld aanbieden aan bijvoorbeeld Caraïbische landen lijkt hem al helemaal een slecht idee. Het geld verdwijnt dan in de zakken van de lokale elites. De bewoners van het Afrikaanse continent komen volstrekt niet in aanmerking, omdat hun voorouders zelf fanatieke slavenjagers en slavenhouders waren.

Weinig kennis
De ironie is dat Fennema en vooral Von der Dunk met hun artikelen juist duidelijk maken hoe weinig Nederland wordt gehinderd door zijn kennis van het slavernijverleden. Het moet in deze discussie immers gaan over hoe wij omgaan met dit verleden. Daarbij zijn allerhande negatieve uitlatingen over NINSEE, Afrika en het Caraïbisch gebied niet op hun plaats. Zo de discussie voeren riekt naar blank superioriteitsgevoel. Dat is extra pijnlijk omdat dit superioriteitsgevoel onderdeel is van de geschiedenis van de slavernij, zoals Mercita Coronel in haar artikel in de Volkskrant van 3 augustus laat zien.

Kortom, zoals Fennema zelf aangeeft, er mag wel wat meer worden gedaan om in Nederland het bewustzijn van het slavernijverleden te verhogen. Nederland steekt wat dit betreft niet alleen pover af bij de Verenigde Staten maar ook bij Engeland. De vraag is alleen: wat te doen? Fennema stelt onder andere voor om NWO, de Nederlandse financier van wetenschappelijk onderzoek, geoormerkt geld te laten uitdelen voor onderzoek naar de slavernij.

Slecht plan
Op deze manier geld geven aan onderzoek lijkt mij een slechte zaak, en wel om drie redenen. In de eerste plaats omdat in Nederland de goede praktijk bestaat dat onderzoekers niet zomaar subsidie krijgen maar met elkaar concurreren om het geld. Zij dienen onderzoeksvoorstellen in bij NWO, en alleen de beste voorstellen krijgen geld. Gesubsidieerd onderzoek dat niet in competitie is verworven krijgt al gauw het stempel opgedrukt dat het minder wetenschappelijk is. Wil onderzoek geloofwaardig zijn, dan moet het voldoen aan de strengste eisen van kwaliteit en objectiviteit. En dat kan ook bij onderzoek in het kader van de slavernij. Het IISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis) heeft samen met de VU en de Universiteit Leiden recent nog een flinke - in competitie verworven - NWO-subsidie ontvangen voor onderzoek naar de geschiedenis van slavernij.

De tweede reden waarom de gedachte van geoormerkt geld mij niet aanstaat is dat onderzoek alleen geloofwaardig is als dit zo objectief mogelijk wordt uitgevoerd. Het genoemde slavernij-project wil in kaart brengen wat Nederland in de achttiende eeuw heeft verdiend aan de slavernij. Uiteraard kan zo'n onderzoek leiden tot discussies over herstelbetalingen, wij hopen zelfs op veel discussie, maar wij zien het niet als onze taak over dit onderwerp een standpunt in te nemen.

In de derde plaats leidt geoormerkt geld ertoe dat politieke en niet wetenschappelijke argumenten gaan bepalen waar het slavernijonderzoek over moet gaan en vooral over wie het moet gaan. Het is bekend dat degenen die belang hechten aan herstelbetalingen, de discussie over slavernij willen beperken tot het Atlantische gebied. Ik heb alle begrip voor hun standpunt, maar vanuit ons gezichtspunt als historici is het onzinnig. Denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke slavenhandel van de VOC in Azië en aan het feit dat in grote delen van Azië slavernij tot in de negentiende eeuw een erkend instituut was. Of denk bijvoorbeeld ook aan het feit dat er vandaag de dag nog miljoenen mensen in slavernij leven.

Meer onderzoek naar slavernij door de geschiedenis heen en naar de trauma's die slavernij tot de dag vandaag oplevert, juich ik van harte toe. Er moet nog veel gebeuren op dit terrein, maar de uitkomsten en niet de geloofwaardigheid van onderzoek moeten onderwerp zijn van maatschappelijk debat.

Ulbe Bosma is senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en bijzonder hoogleraar sociale geschiedenis aan de VU met de nadruk op internationale arbeidsverhoudingen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden