Column Peter Middendorp

Twaalf maanden lang schelden

Beeld Eva Roefs

Ik sta hier om te vertellen dat 2018 een slecht jaar was. Het slechtste jaar in jaren, in decennia, durf ik wel te zeggen, veruit, hoewel ik ervaring met mindere jaren heb. Hier was ik, daar liep ik, kicking the deep blue snow. Here was a disgusted man.

2018 was a bad year. Een godverdomd jaar op een goddeloze bol, waarop ik twaalf maanden heb gescholden. Maar het had geen zin, ik had het net zo goed kunnen laten. Mijn negativiteit bleef nergens aan plakken. Het was een jaar waarop de smerigste en goorste scheldwoorden nog geen vat konden krijgen.

Ik hoop dat het sneeuwt als u dit leest. Als het sneeuwt als u dit leest, als er net sneeuw is gevallen of voorspeld, komen de citaten uit het werk van John Fante hier beter tot zijn recht, denk ik; een schrijver met wie ik ooit heb gedweept.

Toen ik dit schreef, sneeuwde het nog niet en was het nog geen winter, de herfst moest zo langzamerhand aan zijn einde komen. Het was warm geweest. De ganzen gingen weg, kwamen terug en vertrokken opnieuw. Niet eerder vreesde ik de dag dat ook de blaadjes nog van de bomen zouden vallen.

2018, iedereen werd ziek, iedereen ging dood en sprong van het dak. Alles viel kapot, in scherven. Het was nog geen winter maar ik kon niet wachten om met de laatste column van het jaar te beginnen. We staan hier om vrolijk te zijn. Het vrolijkst ben ik dit jaar als ik met de punt achter dit stukje er ook een onder 2018 heb gezet.

Het was eind oktober, ik had een hond in huis. Een jonge hond, een halfjaar oud, een labrador-achtige golden retriever van 25 kilo. Van de buren. Om op te passen, ditmaal te logeren. Ik zat de hele dag alleen, de hond zat de hele dag alleen, misschien, dachten de buren, konden wij onze werk-dagelijkse eenzaamheid opheffen aan elkaar.

De hond viel vaak en stootte zich regelmatig. Hij wist nog niet hoe groot hij was, zijn motoriek had zijn onstuimige lichaamsgroei nog niet bijgebeend. Als ik opstond en even later terugkwam, lag hij in mijn warmte op de bank. Als ik werkte, zoals nu, als ik me naar Nieuwjaar probeer te schrijven, legt hij zijn grote snuit op mijn voeten.

’s Nachts, toen hij piepte, ging ik op blote benen naar beneden. Ik schudde zijn kussen op, hielp hem zich neer te leggen en aaide hem over zijn kop, troostte hem, stelde hem gerust, alsof ik een kind in bed legde. (‘Papa, ík was toch jouw schat?’)

De keer dat ik bij de pakken neer wilde gaan zitten, de kont op de lage tafel had gezet, ellebogen op de knieën, vuist in een wang, en vanaf de vloer, tussen mijn benen door, aangekeken werd. Vijf minuten later renden we met een frisbee door het park.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.