Column Stephan Sanders

Trots op mijn seksualiteit, dat is me nooit gelukt

Die Pride-week overvalt me ­altijd, veel meer dan Kerst of Pasen. En je kan er toch de klok op gelijk zetten: eind juli, begin augustus is de tijd van de Trots in Amsterdam van de lhbti+. Tijdens mijn leven heb ik flink wat letters toegevoegd zien worden, want lang geleden ging het vooral over homo’s en lesbo’s en die bi’s moesten maar eens heel stevig bij zichzelf te rade gaan.

Als jongen in Twente van een jaar of 14 leerde ik mijn eerste transvrouw kennen: hij werd een zij, en hij was mijn hockeytrainer en ook die van zijn zoon. Ik geloof dat de hij-op-weg-naar-zij het stadje verliet en zich ergens in het westen van het land vestigde. Het had iets onontkoombaars en iets treurigs, en ­klaroenstoten kwamen er niet aan te pas.

De laatste jaren is er veel aandacht voor transgenders: reuze sympathieke, ondersteunende aandacht, van mensen die worstelen met lichamen en via hormoonkuren en nog drastischer ingrepen zichzelf veranderen in de man of vrouw die hen voor ogen stond.

Ik hou altijd mijn hart vast bij de vele blijde boodschappen die de ­media tot ons brengen, alsof dat happy end bij voorbaat is geregeld, omdat ik vrees dat het leven niet gaat over ‘bevrijding’, maar over ‘accommodatie’: er zit geen verlossingsknopje op het ­instrumentariumbord waarmee we ons dagelijks leven besturen, en de James Bond-schietstoel werkt alleen op grote hoogte.

Goedbedoelde steun van al die ­radio- en tv-programma’s kan zomaar omslaan in het tegendeel: dus ‘de overheid’ is vóór die transtypes – want Nederland kent volgens sommigen zoiets als Staatsmedia. Dan is het onze taak daar lekker tegen te ageren. Al dat gebedel om begrip maakt een sadistisch instinct los, bij mensen die toch al de pech hebben dat zij ‘normaal’ zijn of ‘gewoon’. Het is nog best moeilijk om die ­kwalificaties met enige trots te ­verkondigen. Ook zij zoeken iets om zich tegen af te zetten.

Er waren toen ik opgroeide niet erg veel homoseksuele rolmodellen – ja, Robert Long – en ik kan me niet herinneren die ernstig te hebben gemist. Laat mij nou maar rustig met wat vriendjes en vriendinnetjes uitvogelen wie en wat ik wil zijn. Het klimaat was progressief-liberaal en ikzelf was vooral degene die zich ‘nergens op wilde vastleggen’.

Ik weet dat me rond mijn 18de een helder beeld voor ogen stond: tot mijn 35ste zou ik voluit homoseksueel leven, met alle uitspattingen van dien, maar daarna, als ik oud zou zijn, nog ouder dan het onvoorstelbare 40, zou ik alsnog met een vrouw trouwen en mij settelen. Want homo-zijn, dat deed je als je jong was, net zo goed als naveltrui­tjes dragen en allerhande doeken om je hoofd binden.

Hoe die seksuele energie ineens van richting zou veranderen bleef een raadsel: het idee leek een beetje op Marx’ utopie van de ‘klassenloze maatschappij’, die er ook ineens zou komen. Hoe en wat?

Vooral niet doorvragen.

Uiteindelijk werd ik, eind-dertiger, razend verliefd op een man, en mijn ouderdomsplan viel in duigen.

Natuurlijk is het zo dat jongeren meer opgewonden zijn over die net ontdekte seksualiteit of die niet passende geslachtsrol.

Seks en alles wat erbij hoort, is leuker als je jong bent, belangrijker ook. Vandaar dat ook deze Canal Parade weer niet gedomineerd zal worden door springende en hossende tachtigers. Of ze weten het al een tijdje, en dan is de eerste verbazing er vanaf, of ze weten het net, en dan is de schroom te groot. Vergeet ook de ­gebroken heup niet.

Dat ‘trots zijn’ blijft iets ingewikkelds. Mijn moeder had bij leven een goede vriend, getrouwd en wel, die mij toen ik 19 was toevertrouwde dat hij eigenlijk ook meer op jongens en mannen viel. Hij complimenteerde me met mijn doorzettingsvermogen, en ik vond dat vreemd, omdat ik me niet kon voorstellen dat ik mijn homoseksuele verlangens niet zou verzilveren.

Nu snap ik beter wat hij bedoelde, omdat hij een generatie daarvoor zijn knopen had geteld en voor het gangbare had gekozen.

Trots op mijn seksualiteit, dat is me nooit gelukt, maar trots op de moeite die homo’s en vooral ook transgenders op de koop toe nemen: ja.

Stephan Sanders is journalist en schrijver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden