'Totaal verwoest' of 'alles weggevaagd'? Bij rampen ligt de waarheid al gauw onder het puin

Over rampen mag je alles roepen, zolang het maar in dramatische bewoordingen is, stelt Hans Jaap Melissen. En dan raken de feiten geregeld uit het zicht.

Beeld Tim Peacock

'Sint Maarten is totaal verwoest. Orkaan Irma heeft alles weggevaagd', 'Het zal 20 tot 30 jaar duren voordat alles weer is opgebouwd', 'Er moet een enorm aantal doden zijn.'

Zomaar een greep uit de teksten die de afgelopen weken voorbijkwamen. Je kunt erop wachten: als zich ergens een natuurramp heeft voltrokken, begint het meestal meteen daarna apocalyptische termen te regenen.

Getroffenen zijn overweldigd door de situatie en spreken in superlatieven. In een documentaire van WNL hoorde ik zelfs een buitenlandse toeriste uitroepen dat ze bang was dat plunderaars haar zouden vermoorden met machetes.

Hulporganisaties moeten geld werven en slingeren gezwollen boodschappen de wereld in. Het citaat waarmee ik dit stuk begon stond op de website van het Rode Kruis - en werd pas later genuanceerd. En talloze media nemen dit soort teksten kritiekloos of zelfs enthousiast over.

Als oorlogs- en crisisjournalist heb ik herhaaldelijk zien gebeuren hoe de werkelijkheid werd vertekend. Bij oorlogen sneuvelt de waarheid als eerste, dat is algemeen bekend. Maar ook bij natuurrampen ligt ze vrij gauw verborgen onder het puin.

Ik deed verslag van aardbevingen in Turkije, Iran, Italië, Indonesië en Haïti, van watersnood in Mozambique en Suriname, van een orkaan in de VS en van de tsunami die de Indonesische provincie Atjeh trof. Vaak hield ik een ongemakkelijk gevoel over aan het grote verschil tussen hoe een ramp in eerste instantie was beschreven en wat daar uiteindelijk waar van bleek.

En toegegeven: ook ik heb ervaren hoe lastig het is om je als ingevlogen journalist te onttrekken aan het grotewoorden-circus. Je komt voor een ramp, dus focus je op wat er allemaal kapot is en zoek je naar de plekken die het allerergst getroffen zijn. Maar zo ontstaat er een beeld dat niet altijd representatief is voor de algehele situatie.

Als kijker krijg je niet gauw de straten te zien die niet of nauwelijks zijn getroffen. Of ze komen wel in beeld, op de achtergrond, maar er ontstaat iets wat ik 'nieuwshypnose' noem: je blik wordt automatisch naar dat kapotte huis op de voorgrond gezogen.

Hoe groot het belang is van de eerste beelden van een ramp, merkte ik in februari 2000, bij de watersnood in Mozambique. Er waren beelden getoond van mensen die de bomen in waren gevlucht, onder wie een vrouw die zelfs was bevallen in een boom. Toen ik zelf na een lange reis in Mozambique arriveerde, was het waterpeil inmiddels gezakt en zat niemand meer in een boom.

Toch bleef ik van nieuwsredacties de vraag krijgen of ik 'die mensen in die bomen' al had gevonden. Het werd het iconische beeld van de ramp en werd ook gebruikt voor inzamelingsacties.

De echte ramp was er een op termijn: schade aan gewassen. Maar dat was lastiger in beeld te brengen. De hulpteams die uit de hele wereld waren gekomen om mensen te redden, hadden daar ook geen oplossing voor.

Beeld Tim Peacock

In 2005 stelde de 'watersnood' van Suriname mij voor een ander probleem. Wat andere media er ook over schreven, ik kon ter plekke de ramp niet vinden. Het was regentijd, er was hier en daar wat ondergelopen, dus er was wat je noemt wateroverlast. Maar een ramp? Toch werd er op de publieke omroep een heuse inzamelingsactie op touw gezet, Doekoe voor Suriname.

Maar de ramp waarbij beeldvorming en werkelijkheid het verst uit elkaar lagen was de aardbeving in Haïti van 2010.

Volgens de eerste berichten was de hoofdstad Port-au-Prince, of zelfs heel het land verwoest. Het was ook een mediagenieke ramp: beeldbepalende gebouwen, zoals het presidentieel paleis en een kathedraal, lagen in puin. En er waren, aldus de overheid, honderdduizenden doden te betreuren.

Luchtfoto's boven Stoelmanseiland. De rivier is buiten zijn oevers getreden door de hevige regenval. Beeld anp

Gevolg: enorme hoeveelheden hulpgoederen en talloze hulporganisaties uit de hele wereld arriveerden in Haïti. Een deel van die organisaties heeft nuttig werk verricht, levens gered en een slaapplaats geregeld voor de vele daklozen.

Maar er ontstond ook een overkill aan hulp. De VN probeerden de zaken centraal te coördineren, maar daarvoor was het aantal organisaties veel te groot. Sommige hadden niet eens gemeld dat ze er waren.

Dat leidde soms tot tragikomische taferelen. Teams die huisdieren kwamen redden die de Haïtianen helemaal niet hadden. Clowns without Borders die door kinderen met stenen werden bekogeld. Ook zag ik pallets vol met dekens en winterkleren arriveren in een land dat veel te klagen had, maar weinig over de kou.

Ernstiger was dat delen van de lokale hulp- en gezondheidsstructuur werden kapotgemaakt doordat lokaal personeel werd weggekaapt door ngo's, die hogere salarissen boden. Een van de beste klinieken van Haïti moest mede hierdoor de deuren sluiten.

Intussen begon ik zelf te twijfelen aan de feiten die over de ramp naar buiten werden gebracht. Ik kende het land goed, al van voor de aardbeving, en had daardoor wellicht sneller in de gaten dat niet heel Port-au-Prince was ingestort, maar slechts een minderheid van de gebouwen. Ook vertrouwde ik het razendsnel oplopende dodental niet en besloot dat aan een wekenlang durend onderzoek te onderwerpen.

Kort gezegd (ik schreef er een boek over) bezocht ik alle massagraven en begraafplaatsen. Na vaststelling van het volume van de massagraven kon ik berekenen hoeveel lichamen er maximaal in lagen. Op veel begraafplaatsen bleken lijsten bijgehouden te worden.

Tekst gaat verder onder de foto

Een vrouw loopt door de straat in Port au Prince, Haïti Beeld epa

Uiteindelijk constateerde ik dat er hoogstens tussen de 52- en 82 duizend doden konden zijn gevallen.

De Haïtiaanse overheid ging intussen door met verhogen van de aantallen, en kwam uiteindelijk zelfs uit op 316 duizend, zonder enig inzicht te geven in hoe er was geteld. Mijn eigen bevindingen werden later bevestigd door een Amerikaans onderzoek uitgevoerd in opdracht van USAID. Dat kwam uit op tussen de 46- en 84 duizend doden.

Het was bizar. Maar het leek er sterk op dat de Haïtiaanse overheid de boel opzettelijk had overdreven, wetende dat het moeilijk zou zijn de aandacht van de wereld vast te houden, zeker met de tsunami van 2004 nog vers in het geheugen.

NGO's, de VN en veel media slikten het verhaal voor zoete koek. Pas toen ik mijn onderzoeksresultaten had bekendgemaakt, viel er een kritische houding te bespeuren. Alleen was die gericht op mij, in plaats van op de Haïtiaanse regering.

Dat bevestigde mijn beeld dat een ramp een soort beschermde status heeft: je mag er alles over roepen, zolang het maar in dramatische bewoordingen is. Terwijl veel rampen al erg genoeg zijn als je het bij de feiten houdt.

Terug naar Sint Maarten. Dat is uiteraard zwaar getroffen. Maar 'totaal verwoest?' of letterlijk 'alles weggevaagd?' Met dezelfde woorden beschreven we dertien jaar geleden de situatie op Atjeh, waar tienduizenden doden waren gevallen door de tsunami.

Opmerkelijk dat Het Rode Kruis die boodschap over Sint Maarten later in de week van de website verwijderde. Nu luidt de conclusie dat 91 procent van alle gebouwen schade heeft. Maar schade komt in verschillende grootheden. 30 procent van de huizen is daadwerkelijk verwoest. Een ander deel is goed te herstellen. En weer een ander deel staat nog gewoon recht overeind, zoals de winkels waaruit plunderaars flatscreens en wat al niet haalden.

Ook bij een ramp mogen woorden betekenis hebben. Als je altijd dezelfde kreten gebruikt voor situaties die in ernst verschillen, hoe geloofwaardig ben je dan nog?

Maar dat principe van zomaar wat roepen wordt in stand gehouden door het systeem van gironummers en televisieacties. Daarbij moeten mensen emotioneel geraakt en bespeeld worden.

Beeld Tim Peacock

Ook in het geval van Sint Maarten dook al snel een gironummer op. Ik hoorde het radiospotje voor hulp aan 'Sint Maarten, Saba en St. Eustatius' enkele minuten nadat iemand van het bestuur op Saba had uitgelegd dat het daar wel meeviel.

En dat is een ander punt: ik denk dat we af moeten van die bedelshows. Noodhulp of wederopbouw moet niet afhankelijk zijn van wat het publiek toevallig bereid is te doneren. De ene ramp doet het namelijk beter in beeld dan de andere. En je zult maar door een ramp worden getroffen die precies in de weken ná een nationale inzamelingsactie valt. Dan heerst er 'rampenvermoeidheid' en kun je het als ramp vergeten.

De hoeveelheid geld die bij een inzamelingsactie wordt opgehaald zal zelden precies zijn wat nodig is. Soms is het te weinig, een andere keer te veel. Inmiddels is er voor Sint Maarten ruim 15 miljoen opgehaald. Vergeleken met voorgaande acties is dat weinig. Misschien is er nú al sprake van rampenvermoeidheid.

Misschien, ook al klinkt dat hard, zijn er voor de Nederlanders te weinig dodelijke slachtoffers gevallen om de portemonnee te trekken. Anderzijds: misschien is 13 miljoen wel genoeg voor noodhulp (wat niet hetzelfde is als wederopbouw). Een streefbedrag heb ik namelijk niet gehoord.

Dat laat maar weer eens zien dat bij een ramp vaak het aanbod bepaalt welke hulp er wordt geboden, in plaats van dat begonnen wordt bij de hulpvraag en dat het aanbod daarop wordt afgestemd.

Eerlijker zou het zijn om deskundigen eerst te laten inventariseren wat er precies nodig is en vervolgens het bedrag vast te stellen dat niet wordt gedekt door verzekeringen of speciale fondsen van nationale overheden en de VN.

Bovendien, als je die fondsen groot genoeg maakt, hoef je nooit meer per geval in te zamelen. Op die manier krijgt elke ramp, ook een minder mediagenieke, de hulp die ze verdient.

Zoals landen die getroffen worden door een ramp ook gebaat zijn bij een eerlijke omschrijving van de gevolgen. Dat geldt zeker voor Sint Maarten, dat erg afhankelijk is van toerisme. Vakantiegangers keren namelijk niet terug als ze ten onrechte denken dat het eiland volledig in zee is verdwenen en pas over 25 jaar weer goed leefbaar is. Er zitten meer tinten ramp tussen 'niets aan de hand' en 'totaal weggevaagd'.

Hans Jaap Melissen is oorlogs- en crisisjournalist, vooral werkzaam voor de publieke omroep. Hij schreef het boek Haïti, een ramp voor journalisten over de aardbeving van 2010. Voor zijn reportages over de Arabische revoluties werd hij in 2012 gekozen tot journalist van het jaar. Ook is hij de auteur van het boek IS, tot alles in staat.

Verbetering: in een eerdere versie van dit artikel werd Atjeh een eiland genoemd. Dat had moeten zijn: de provincie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.