Columnbert wagendorp

Topsport is het meten van oneerlijkeid: Pogacar heeft nu de Tour al gewonnen

null Beeld

De Tour de France is beslist. Jammer, want hij duurt nog twee weken, maar de winnaar staat al vast: Tadej Pogacar. Alleen de allergrootste optimisten houden nog hoop: Pogacar kan vallen, lekrijden, een hongerklop krijgen of flink ziek worden. Ook kan hij worden getroffen door een rotsblok of kan een hert tegen hem aan lopen. Het is hopen tegen beter weten in. Het staat al vast dat hem niets zal overkomen: de alleenheerser in de Tour heeft nooit pech. Lance Armstrong viel nooit, Alberto Contador kreeg nooit een hongerklop en Miguel Induraín werd nooit ziek.

Chris Froome heerste ook een paar jaar in de Tour, maar bij hem was het anders. Zijn zeges waren niet te danken aan zijn buitensporige talent, maar kwamen tot stand dankzij noeste arbeid en opofferingen – al zou je dat ook een talent kunnen noemen. Maar zijn concurrenten konden altijd hopen dat Froome van zijn fiets zou vallen, iets wat hij trouwens ook regelmatig deed.

Iedereen in het peloton heeft zich inmiddels neergelegd bij de suprematie van Pogacar. Dat is beslissend. Het gaat er in het wielrennen om zo snel mogelijk duidelijk te maken dat je onverslaanbaar bent. Is dat tot iedereen doorgedrongen, dan richten de anderen zich op de tweede plaats en kun jij rustig naar de zege peddelen. Niemand zal je aanvallen, iedereen weet dat hij daarmee zijn eigen graf graaft.

Pogacar bevestigde zaterdag, na zijn eerdere overwinning in de tijdrit, zijn onoverwinnelijke status. Met nog een kilometer of dertig te gaan trok hij ten aanval. Hij fietste ontsnapte renners voorbij met een snelheid die door de ene journalist werd vergeleken met een TGV of een straaljager en door de andere met een lichtflits. Op de radio vergeleek Tom Veelers hem met een windvlaag die voorbijkwam. Dan weet je dat elk verzet zinloos is: hier passeert een op hol geslagen godenzoon. Toen hij over de streep kwam, was de Tour voorbij, althans de strijd om de eerste plaats.

Hoe kan het, dat Tadej Pogacar, die nog maar 22 jaar is, nu al iedereen fluitend naar huis rijdt? Hij is een natuurtalent dat is gemaakt voor wielrennen. Zijn hart, zijn longen, de spieren in zijn benen: het zijn onderdelen van een machine die nooit hapert. Natuurlijk zijn er ook mensen die vermoeden dat er meer is, een geheimzinnige toverdrank bijvoorbeeld, maar verdachtmakingen zijn nu eenmaal het lot van de onoverwinnelijke en overmacht wekt argwaan.

Een ander wonderkind, Mathieu van der Poel, hield het dit weekend voor gezien. Hij moet eind juli in Tokio nog even olympisch goud ophalen in het mountainbiken, dus daar gaat hij zich nu op concentreren. Een etappe en zes dagen gele trui vond hij mooi genoeg.

Het is erg sneu voor al die anderen die zo hun best doen, maar Pogacar en Van der Poel zijn de genieën van hun sport. Ze kunnen iets dat voor de meeste anderen nooit haalbaar zal zijn, hoe hard ze ook trainen. Ze vormen het fietsende bewijs dat het allemaal erg onrechtvaardig is verdeeld; Tim Krabbé had gelijk toen hij schreef dat sport het meten van oneerlijkheid is. Het is net als met geboren worden: de eerste dag is iedereen nog gelijk, maar al snel daarna wordt duidelijk wie, door afkomst of toeval, een paar streepjes voor heeft.

Pogacar heeft exceptionele gaven. Hij vernedert met een vriendelijk jongensgezicht op wrede wijze zijn tegenstanders. De achteloze manier waarop hij zondag wegfietste bij zijn grootste concurrenten was veelzeggend. Ze gingen beleefd aan de kant om de uitverkorene langs te laten, deden niet eens een poging om hem bij te houden en gaven zich gewonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden