Column De jonge Rembrandt

Toen Rembrandt 4 was, kreeg zijn vader een ongeluk met een musket. Spookte dat door zijn hoofd toen hij De Nachtwacht schilderde?

Jan van der Heede op De Nachtwacht, Rembrandt, 1642. Rijksmuseum.

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en bericht daar wekelijks over.

Op 22 februari 1611 verzocht Harmen Gerritsz van Rijn, de vader van Rembrandt, ter vergadering van de Leidse schutterij of hij kon worden ontslagen van zijn dienstplicht. Er was, ‘gelijck hij verclaerde’, een musket in zijn handen ontploft. In het schuttersboek werd genoteerd dat Harmen weliswaar van de ‘quetsure genesen’ was, maar dat hij zijn handen toch niet meer goed kon gebruiken bij het schieten met ‘zulcx geweer’.

Harmen, die als molenaar veel hinder moet hebben ondervonden van de gevolgen van het ongeluk, werd vrijgesteld van de ‘nachtwachten’, de patrouilles door de donkere stad. Maar hij moest wel een jaarlijkse afkoopsom betalen: zes gulden, ‘mits behoudende zijn geweer’. De betaling zou pas weer stoppen als een van zijn zoons dienst zou nemen in de schutterij.

Rembrandt, nog maar vier ten tijde van het ongeluk, was vertrouwd met het wapentuig van zijn vader. Elke schutter kocht een wapenrusting op maat, bestaande uit een ‘stormhoed’, de helm, ‘halsberg’, een ijzeren ringkraag, borstkuras, een degen of hellebaard, lans, dolk, hartsvanger of een ander mes. En een musket met een busje loden kogeltjes. Het wapentuig hield de schutter in huis omdat die in geval van nood, oproer of een opduikende vijand geen tijd had om alles even op te gaan halen. Zelfs niet als het Doelenterrein maar vijf minuten lopen was.

Het is niet ondenkbaar dat Rembrandt, toen hij eenmaal ging tekenen en schilderen, modellen in die wapenuitrusting liet poseren. Misschien was het wel zijn vaders glimmende halsberg, waarmee hij pronkt op een van zijn vroegste zelfportretten.

In 1642 stond Rembrandt op de binnenplaats van zijn huis aan de Sint Antoniesbreestraat in Amsterdam een enorm schuttersstuk te schilderen. Het doek was zo groot dat het met geen mogelijkheid binnen kon worden opgespannen. De titel? De compagnie van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburgh gereed om uit te marcheren, naar een aantekening in het familiealbum van Banninck Cocq. Inmiddels is het wereldberoemd als De Nachtwacht.

Rembrandt zette het groepsportret met bravoure naar zijn hand. Geen colonne mannen in slagorde, maar een compagnie in beweging, op het rommelige moment net voor ze wegmarcheren. Een van de schutters oefent de houding voor het lossen van een schot, een ander staart naar de haan van zijn musket. En weer een ander, de musketier Jan van der Heede, getooid in mooi rood pak, gebruikt nog snel zijn laadstok om de kogeltjes in de loop aan te stampen.

In Leiden had Rembrandt, om zijn hand te oefenen, al tekeningen van soldaten gemaakt.  Voor de houding van de schutters keek hij goed naar de soldaten die de briljante graveur Jacques de Gheyn II had getekend voor Wapenhandelinghe, van Roers Musquetten ende Spiessen, het exercitiehandboek uit 1607. Dat boek was zelf een wapen. Maurits van Nassau gebruikte het om van een ongeregeld zootje huurlingen het goed getrainde Staatse leger te maken.

Rembrandt moet zich bij het schilderen van De Nachtwacht het hoofd hebben gebroken over de wervelende compositie en de houding van zijn schutters. Volgens kenners houdt de rode musketier zijn geweer verkeerd vast bij het laden.

Niet ongevaarlijk.

Zou het ongeluk van zijn vader door Rembrandts hoofd hebben gespookt?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.