ColumnLoes Reijmer

Toen me werd gevraagd een column te schrijven over de jaren twintig, bleef het hoofd maar vol met verlies

Heel zwaarmoedig denk ik niet te zijn. Of helemaal niet, eigenlijk. Maar toen me werd gevraagd een persoonlijke column te schrijven over de jaren twintig, ‘wat je hoopt of vreest’, mailde de chef behulpzaam, bleef het hoofd maar vol met verlies. 

Dat krijg je als op jonge leeftijd een van je ouders doodgaat. Mijn vader overleed toen ik 13 jaar oud was. Hij had kanker, was heel ziek, maar zelfs op het moment dat de huisartsen binnenkwamen om euthanasie te verlenen wist ik zeker dat mij dit niet ging overkomen. Ouders zijn lief, irritant, geweldig, stom, je zet ze op een voetstuk en je schaamt je er kapot voor, maar ze zijn er boven alles gewoon altijd.

Gewoon en altijd – een paar uur later wist ik wel beter.

Sinds die dag, inmiddels bijna 22 jaar geleden, kijk ik met bewondering naar leeftijdgenoten. Hoe ze hun boomers voor lief nemen, terecht ook, want daar ben je kind voor. En hoe zorgen zich louter van oud naar jong bewegen, nauwelijks in omgekeerde richting.

Echt zorgen hoef ik me niet te maken over mijn moeder. Ze maakt elke ochtend een smoothie en doet daarna oefeningen op een yogamat in de woonkamer. Op dinsdag pakt ze de trein van 6.10 uur om een kleine twee uur later aan de andere kant van het land haar kleinkinderen in de armen te sluiten. In het weekend gaat ze weleens dansen en heeft dan nog sjans ook. Ze zou, kortom, schaterlachend op de cover van Plus Magazine kunnen.

Maar toch. Zo’n vroege confrontatie met de dood maakt dat je altijd op je hoede bent. Terugkijken is geen probleem. Graag zelfs, want elke dag, elk jaar, elk decennium voelt als een opluchting. Vraag me vooruit te kijken en het hoofd schiet direct vol mist. 

Nu zou het helpen als ik op z’n minst een beetje goed was in dealen met de dood. Jong geleerd, niet? Maar ik heb veel karaktereigenschappen geërfd van mijn vader en het talent om vervelende dingen hard te negeren is er daar absoluut één van. Zelfs op zijn sterfbed wist hij het gesprek over zijn uitvaart weg te wuiven – nog altijd heb ik geen idee waarom hij na een leven rock ’n roll godbetert met een kerkdienst begraven wilde worden. ‘U begrijpt toch wel dat wij géén Rolling Stones in dit huis kunnen draaien’, zei de lispelende pastoor bij de voorbereiding van de uitvaart en wij knikten braaf zoals het Brabanders betaamt, maar eigenlijk begreep ik niets van de hele situatie. 

Het kan anders. Onlangs verloor een goede vriendin haar beide ouders binnen anderhalf jaar tijd. Allebei ziek, allebei onbehandelbaar. Na de slechte diagnoses dook het gezin er recht in, head first. Alles werd uitvoerig besproken en voorbereid. Welke afbeelding wilden ze op hun rouwkaart? Wie moest spreken op de uitvaart? In de laatste dagen breide haar moeder nog een dekentje, mocht er ooit een kleinkind komen. Het verdriet werd er niet minder om, het ongemak wel.

Daar hebben wij het eigenlijk nooit over’, zei mijn moeder laatst aan de telefoon. Ik schrok. ‘Nee, dat moeten we maar een keer doen’, zei ik snel, positief verrast dat ze het ter sprake bracht. Tegelijkertijd was ik opgelucht dat we het voor nu bij vaagheden als ‘daar’ en ‘dat’ konden houden en ik snel verder kon met het inruimen van de vaatwasser. De vrees is er altijd. De hoop op een goed gesprek nu ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden