ColumnFrank Heinen

Tips over hoe je je veilig op internet kunt bewegen, krijg je meestal op een moment dat het niet schikt

Zelf doe ik al mijn hele volwassen leven met een Nokia. Er zit een zaklamp op, en een spelletje dat Doodle Jump heet. Je kunt er vijftig telefoonnummers in opslaan. Nooit heb ik de sprong richting smartphone gewaagd. Techniek interesseert me niets. Ik word er argwanend van, een beetje angstig ook. Daarom (of: desondanks) dwaalt mijn blik terwijl ik dit opschrijf af en toe onwillekeurig naar het oogje dat aan de bovenkant van mijn laptop naar me loert.

Is daar iemand? Hallo?

Soms stelt een bekende terloops vast: ‘Je hebt je camera niet afgeplakt.’ Geen vraag, geen verwijt, gewoon, een vaststelling uit de ­categorie: dat schip is gezonken. Zo moeten oude dametjes zich voelen wanneer zij aan hun kleinkinderen opbiechten dat ze hun pincode aan die áárdige meneer van KPN hebben gedicteerd. ‘Maar ik heb de deur niet opengedaan!’

Tips over hoe je je veilig op internet kunt bewegen, krijg je meestal op een moment dat het niet schikt. In een voetbalkleedkamer, op een burenborrel. Een bekende van een bekende doet iets in de cybersecurity en legt uit welke apps er bestaan om al je wachtwoorden automatisch te kunnen updaten. En je luistert en je knikt en je denkt verbeten: ik ga het allemaal anders aanpakken. Op tijd naar huis, alle up­dates installeren, al mijn wachtwoorden aanpassen en daarna mezelf offline tuchtigen met het boek van techjournalist Daniël Verlaan. Maar thuis wacht er een volle afwasmachine of een andere prozaïsche omstandigheid waartegen geen wachtwoord bescherming biedt, en zo stroomt het leven voort in een suffige status quo, met een digitaal huis waar alle ramen en deuren wijd open staan.

Je wordt bekeken, afgeluisterd, bestudeerd. Zeg twee keer het woord ‘baby’ tegen een geopende laptop en de luieradvertenties stromen binnen.

‘Ik wilde weten of het nog kon, online niet bestaan, en hoe het voelt als je weet dat je actief gevolgd wordt’, schrijft Eva Hofman deze week in een mooi verhaal in De Groene Amsterdammer, waarin ze zich op de hielen laat zitten door Tigo, ethisch ­hacker in opleiding. Hoe dat ongeveer voelt, kun je nalezen in Niña Weijers’ roman De consequenties (waarnaar Hofman verwijst), maar je kunt ook een van de tienduizenden telefoonnummers bellen die op de lijst van The Pegasus Project staan. Dat journalistieke megaproject over malware die op tienduizenden telefoons over de hele wereld is geïnstalleerd, zal komende dagen door een cluster internationale media in onze gezichten worden uitgesmeerd tot we nooit meer vergeten dat ‘privacy’ nog slechts bruikbaar is in relatie tot campingtoiletten (mits voorafgegaan door de woordcombinatie ‘volkomen gebrek aan’).

De eerste berichten doen weinig goeds vermoeden: de software is bedoeld om terrorisme en criminaliteit te ondermijnen, voor de ‘Bin Ladens of this world’ zeg maar, maar op de lijst waarover onder meer The Guardian en The Washington Post berichten, duiken tamelijk veel nummers van journalisten, advocaten en mensenrechtenactivisten op. In Hongarije kun je met consistente kritiek op de regering op een hack rekenen. Op het eerste gezicht oogt Pegasus daarmee even ongevaarlijk als de handgranaat die wordt verkocht als boekensteun.

‘If you got a mobile phone’, concludeerde een journalist van The Guardian in zijn commentaar, ‘you should be worried too.’ Hij heeft het vast niet tegen mij, met mijn toestel uit het draaischijftijdperk, maar op de laptop alle systeemupdates laten draaien en camera afplakken, kan vast geen kwaad. Maar eerst de afwasmachine.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden