Column Toine Heijmans

Tijdens het snoeien van de tuin komt dr. Alzheimer op bezoek

Volkskrantverslaggever Toine Heijmans schrijft wekelijks over zijn vader, die alzheimer heeft.

De vader van Toine Heijmans in Frankrijk, 1983. Foto Privéarchief Toine Heijmans

De weledelzeergeleerde prof. dr. ir. Alois Alzheimer doet rek- en strekoefeningen op het terras, en wij gunnen de professor zijn momentje. Gaan we snoeien pa. De takken van de vlinderstruik steken onwaarschijnlijk hoog de lucht in, als laserstralen. Die moeten kort. Een tuin neemt z’n ruimte zodra het mogelijk is, tuinieren is een vorm van worstelen en mijn vader is zoals bekend de bovenliggende partij. Was. Maar zolang de dr. verderop de gymnast uithangt, gaan wij de tuin eens samen in een houdgreep nemen.

Mijn vader trekt zijn tuinhandschoenen aan, die werkloos in de bijkeuken verouderen. Ze passen nog. De stugheid ervan brengt iets terug van wat je eventueel een herinnering kunt noemen, of een herinneringsgevoel. Kijkt naar zijn handen en kromt zijn vingers, kijkt dan naar de rode snoeizaag die zijn zoon hem overhandigt, ‘zozo, een moordwapen’. En wat je daar allemaal mee kunt doen, betreffende vlinderstruiken.

Kijkt naar de takken. Zo traag als ze bewegen in de wind, heen en weer bewegen ze, nergens naartoe en toch in beweging. Dat valt nu pas op, 73 jaar en een stuk of wat vlinderstruiken verder.

Mijn vader heerst van oudsher soeverein over de keizerlijke nieuwbouwtuin. De plek waar niemand wat te zeggen heeft behalve hij, God, de bodembedekkers en de vlinderstruik. Hij tekende deze tuin op ruitjespapier, lang voordat het begrip 3D gemeengoed werd, liet spoorbielzen aanrukken en smeerde ze in met carbolineum zoals hij mij insmeerde met zonnebrand, opdat ze nooit vergingen. De geur van carbolineum vergeet niemand, ook mijn vader niet. De bielzen liggen daar nog steeds, onaangetast als mummies in een mikadopatroon.

Mijn vader snoeit. Takken storten ter aarde, niet hij. Er groeit een vader in mijn vader; dhr. Confusie die hem dagelijks vergezelt dommelt naast de dr. op het houten bankje. Daar zakken ze zodadelijk doorheen, zo slecht is het bankje onderhouden.

Houen zo. Snoeien wij nog even verder. De vlinderstruik krimpt zienderogen. Mijn vader trekt een handschoen uit en voelt voorzichtig met zijn vingers aan de wonden die we slaan, voelt de vochtige kern van het bestaan, het leven dat stroomt. Dat hij kent.

Wel vraagt mijn vader zich af hoe de takkenberg ontstaat die zich naast ons ontwikkelt. Het is een bron van toenemende zorg. Waarschijnlijk, zegt mijn vader, zal de gemeente gevraagd worden deze takkenberg te verwijderen, of anderszins, maar daartoe dient hij wel te worden ingeschreven bij de burgerlijke stand. Dit roept weer nieuwe vragen op die mijn vader midscheeps raken, bijvoorbeeld over zijn eventuele positie als ingezetene van deze gemeente, en naar dit huis en deze tuin, die gezien zijn inkomenspositie onmogelijk de zijne kunnen zijn.

Ah, daar is de dr. alweer. Hij neemt mijn vader bij de arm, weg van de vlinderstruik, voorbij de takkenberg, de tuin uit. Het huis in. De dr. is het antwoord op al mijn vaders vragen. Mocht daar nog onduidelijkheid over zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.