essaysJongeren in coronacrisis

Tien jonge Volkskrant-lezers over hun jaar in de coronacrisis: ‘School is een voetnoot geworden in de wekelijkse bezigheden’

null Beeld Jip van den Toorn
Beeld Jip van den Toorn

In juni vroegen we tien jonge Volkskrant-lezers hoe zij de eerste maanden van de coronacrisis waren doorgekomen. Opvallend vaak was de reactie: die pauzestand is eigenlijk wel fijn. Hoe anders is dat nu, precies een jaar nadat de eerste besmetting in Nederland werd geconstateerd.

Coronaromantiek

Jan van Poppel (22), master milieuwetenschappen, Wageningen

Daar zit ze. Blond haar, lachende ogen en een stralend gezicht. Ik heb verloren met nog maar één steen op mijn bordje. Ik realiseer me weer dat het spelen van een duf spelletje Rummikub het enige is dat we kunnen doen. Geen wilde avonden in de kroeg waarna we rollebollend in bed belanden, geen dolle middagen op een festival waar de ondergaande zon ons zoenend gedag zegt, geen dure avonturen in een restaurant waar we in stilte elkaars hand vasthouden. Niets van dat.

Romantiek is niet het enige slachtoffer van corona. Alles wat enerverend, prikkelend of gezellig is, kan niet meer.

Zie de brallende twintigers die hun lauwbierdieet verruilen voor gezonde biet-venkel-mangoshakes. Studenten die in plaats van klamme kroegen, de ‘online yoga-omgeving’ onveilig maken. Zoomborrels waarbij de glazen zijn gevuld met rooibosthee in plaats van vieze wodka van een Pools C-merk, en dat de aanleiding voor het diepste gesprek van de avond het labeltje van het theezakje is.

Saai, duf, geesteloos.

Terwijl ik opnieuw veertien stenen raap om voor de zoveelste keer setjes van ‘blauwe zessen’ en ‘rode drieën’ te gaan leggen, denk ik ineens: ik vind het eigenlijk wel fijn om duf te zijn.

Maar ben ik dan wel eerlijk tegen mezelf? Als mensen aan mij vragen of het goed met me gaat, is mijn eerste antwoord steevast: ‘Ja, hoor.’ Maar met wie gaat het goed? Met de student die houdt van gepureerde bieten met venkel en brokjes mango, met die gast die adjes rooibosthee doet, met de vriend die wordt afgedroogd door zijn vriendin met duffe spelletjes... het gaat goed met een jongen die ik misschien helemaal niet wil zijn.

Als ik de torenhoge cijfers van jongeren die lijden onder deze coronatijd zie voorbijkomen, denk ik maar één ding: dat snap ik heel goed.

Zelf ben ik introverter, rustiger en stiller geworden ten opzichte van een jaar geleden. Of ik dat erg vind? Geen idee. Ben ik echt veranderd? Wellicht leert corona ons wel een andere kant van onszelf te zien. Wie ben ik eigenlijk?

Deze rare tijd zorgt er in elk geval voor dat wij jongeren onszelf een vermoeiende portie existentiële vragen moeten stellen. Niet gek dat je daar last van hebt als je eigenlijk zorgeloos moet kunnen bloesemen in een kroeg, op een festival of in een restaurant.

Ondertussen staar ik naar een tafel waarop het bordje met rummikubstenen is vervangen door een kom halfbevroren andijviestamppot, en terwijl de zon door het stoffige raampje achter het Utrechtse Lunetten zakt, houden we romantisch elkaars hand vast: ‘Wil je wat drinken?’ Ik antwoord zonder na te denken: ‘Ja, lekker, doe maar een shot goedkope wodka en een glas lauw bier.’

Wordt het tóch nog een wilde avond.

Jan van Poppel: ‘Romantiek is niet het enige slachtoffer van corona. Alles wat enerverend, prikkelend of gezellig is, kan niet meer.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Jan van Poppel: ‘Romantiek is niet het enige slachtoffer van corona. Alles wat enerverend, prikkelend of gezellig is, kan niet meer.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Goede verhalen

Stijn van Nuland (23), master journalistiek, Groningen

In september ben ik begonnen aan de master journalistiek in Groningen. Ik liet mijn vrienden en huisgenoten achter in Nijmegen, waar ik voor de zomer mijn bachelor geschiedenis had afgerond. Ik durfde de stap wel te maken, want de vooruitzichten waren goed. Zo’n strenge lockdown als in het voorjaar kwam er vast niet nog een keer. Toch?

Ons klasje journalisten in spe had het enorme geluk dat we maar liefst drie hele dagen offline onderwijs per week mochten volgen. We hadden al een half jaar lang geen fysieke colleges meer gehad, en daarom voelde het als een compleet nieuwe ervaring om weer met 24 studenten in een lokaal te zitten.

De docenten hielden ons voor: ‘Binnen een jaar worden jullie echt een familie.’ Dat zag ik wel zitten, als vreemdeling in Groningen kon ik wel wat nieuwe contacten gebruiken. Maar terwijl het steeds gezelliger werd met de mensen in ons klasje, werden de coronamaatregelen zwaarder en zwaarder. We hebben welgeteld één vrijdagmiddag samen kunnen borrelen en daarna verboden de RIVM-richtlijnen het ons om nog samen te kunnen komen. Toen Rutte in december een nieuwe lockdown aankondigde, mochten we zelfs niet meer met z’n allen in een collegezaal.

Inmiddels is het februari en lijkt er nog altijd geen moment in zicht waarop ik samen met dat klasje dronken journalisten de Poelestraat onveilig kan gaan maken. De meest geschreven zin in onze groepsapp is ongetwijfeld: ‘We moeten echt een keer samen gaan stappen’. Als dat moment er ooit nog gaat komen, hebben we waarschijnlijk allemaal ons diploma al.

En de studie zelf? Ik wil graag een goede journalist worden, maar deze tijd is niet het meest inspirerend. Hoewel mijn docenten ons voorhouden dat overal goede verhalen te vinden zijn, zie ik vanachter mijn bureau alleen corona. Daar komt bij: als er honderden mensen op het Museumplein staan te schreeuwen dat ze het vertrouwen kwijt zijn in de beroepsgroep waar jij straks onderdeel van bent, dan zakt de moed je toch een beetje in de schoenen.

Stijn van Nuland: ‘Ik wil graag een goede journalist worden, maar deze tijd is niet het meest inspirerend.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Stijn van Nuland: ‘Ik wil graag een goede journalist worden, maar deze tijd is niet het meest inspirerend.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Een opleiding is niet heilig

Noah Belkadi (20) student creative business, Maarssen

Elke woensdagmiddag een privé-optreden. Het klinkt inmiddels als een utopisch idee uit een ver verleden. Toch is het door een creatieve opwelling van mij en mijn clique werkelijkheid geworden. Afgelopen zomer hadden we het idee om een platform te beginnen voor de undergroundhiphopartiest Kanagawa. Wekelijks zetten we op YouTube een sessie met een artiest online, aangevuld met een podcast of een speciale aflevering. Het is voor artiesten een kans om nieuw publiek aan zich te binden, en voor de kijker een manier om nieuwe artiesten te ontdekken. Win-win.

Het is een welkome afleiding. Want wat doe je de rest van de week nou? School is een voetnoot geworden in de wekelijkse bezigheden, meer dan twee dagen per week besteden aan een bijbaan is hersendodend saai en Netflix heb je na een paar weken ook wel uitgekeken. Maar met Kanagawa kan ik elke dag bezig zijn zonder dat het een sleur wordt. En zo zie je je vrienden nog eens.

Normaal gebruik je school voor zulke ontmoetingen. Maar naar school konden we niet meer. En dat heeft eigenlijk het hele plezier van studeren weggenomen. Aan het begin van de crisis was het nog wel vol te houden. Veel vrije tijd en school vanuit bed – het leek een zegen. Nu is het een vloek. Door het online onderwijs lijkt school iets dat je net zo goed kunt laten. In mijn omgeving zijn veel mensen vrij serieus aan het uitzoeken of ze niet met hun opleiding kunnen stoppen, in elk geval tot we weer naar school kunnen.

Mij heeft het ook inzichten verschaft. Ik heb mijn opleiding nauwelijks gevolgd, en ik adem nog steeds. Mijn professionele leven is niet gek veel achteruitgegaan, sterker nog, het gaat beter dan tijdens een drukke opleiding. Ik ben mede-eigenaar van een bedrijf en ik heb nog een bijbaan. Naast alle horror die de crisis heeft gebracht, heeft het me ook geleerd dat een hogere opleiding niet zo heilig belangrijk is als ouderen het doen voorkomen.

Noah Belkadi: ‘Veel vrije tijd en school vanuit bed – het leek een zegen. Nu is het een vloek.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Noah Belkadi: ‘Veel vrije tijd en school vanuit bed – het leek een zegen. Nu is het een vloek.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Het jaar dat ik tien jaar ouder werd

Sanne-Sofie Grift (26), online communicatiemedewerker, Amsterdam

Ik vierde mijn 26ste verjaardag op 7 maart 2020, een week voor de eerste lockdown. Met een groep vrienden zijn we wat gaan eten en daarna naar een bomvolle hipstertent in Amsterdam-Oost gegaan voor nog wat biertjes en muziek. Er werd geknuffeld en gezoend. Een vriendin haakte nog wat later aan, omdat ze direct vanuit de trein uit Parijs naar de bar kwam. Koffers en al. Een week later zat de wereld op slot.

In juni 2020 is mijn vader overleden, niet aan corona maar een maagbloeding. Die maagbloeding was dan weer te wijten aan een jarenlange alcoholverslaving. Hij werd pas enkele dagen na zijn overlijden gevonden, alleen in zijn flat in Almere. We hadden geen contact, maar op zijn telefoon stond een foto van mijn stukje dat eerder die maand in de Volkskrant had gestaan. Na zijn overlijden was ik degene die alles moest regelen. De huur van zijn flat en bankrekening opzeggen, zorgen dat geen van de andere vijf kinderen of mijn zoontje werden opgezadeld met zijn schulden en zorgen dat zijn bescheiden inboedel diplomatiek werd verdeeld. Zijn voetbalsjaal en nagelschaartje zijn in mijn bezit.

Op 29 september vorig jaar, mijn vaders verjaardag of all days, kwam ik erachter dat ik voor de tweede keer zwanger ben. En dus doe ik nu ook mijn zwangerschapsyoga alleen, op een matje in de woonkamer van ons appartement in IJburg.

De ademruimte die ik eerder wel had, is het afgelopen jaar voor een groot deel weggevallen. Wat overblijft zijn de verantwoordelijkheden. Net als voor de pandemie benijd ik mijn kinderloze leeftijdsgenoten om hun vrijheid. Tegelijkertijd ben ik dankbaar dat dit jaar voor zo’n groot deel bestond uit het vervullen en uitbreiden van mijn al vaststaande rollen. Het lijkt me een onmogelijke opgave om in deze tijd uit te moeten vinden wie je bent... Ik ben het afgelopen jaar voornamelijk moeder en dochter geweest, en ben blij bevrijd te zijn van de voor mij soms ondraaglijke taak om daarnaast ook nog eens jonge vrouw te zijn in Amsterdam.

Volgende week word ik 27, al voelt het alsof ik dit jaar tien jaar ouder ben geworden. Ik vier mijn verjaardag thuis, alleen met mijn vriend en ons zoontje. Zonder vrienden en volle cafés, maar wel met beschuit met aardbei voor ontbijt. Zoals ieder jaar. Ik heb er zin in.

Sanne-Sofie Grift: ‘Volgende week word ik 27, al voelt het alsof ik dit jaar tien jaar ouder ben geworden.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Sanne-Sofie Grift: ‘Volgende week word ik 27, al voelt het alsof ik dit jaar tien jaar ouder ben geworden.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Toosten op de toekomst

Sonja Buljevac (23) afgestudeerd literatuurwetenschapper, Utrecht

Onlangs studeerde ik af, bijna tegelijk met een van mijn beste vriendinnen: ik als literatuurwetenschapper, zij als docent Frans. We vierden het met z’n tweeën, openden een goedkope fles prosecco op mijn kamer en genoten van een lading borrelhapjes. Ondertussen praatten we over grote dingen: werken, écht volwassen worden, het burgerleven dat onvermijdelijk op ons wachtte. Tussen neus en lippen door vertelde ze dat ze, in het afgelopen jaar dat ze stage liep, haar leerlingen vaker via Zoom had gezien dan in het echt. Dat bleek geen onverdeeld succes. Want hoe leer je dan controle houden over een groep? Welke houding moet je aannemen als je virtueel voor de klas staat?

In mijn omgeving hebben meer leeftijdsgenoten hier last van. Bijna iedereen die in het afgelopen jaar is afgestudeerd en een baan heeft gevonden, maakt zijn of haar intrede in het werkende leven via onlinevergaderingen. Geen collega’s die je wegwijs kunnen maken of in zijn voor een praatje tijdens de pauze, geen borrels waar je belangrijke contacten kunt leggen. De overgang van studeren naar fulltime werken is altijd groot, maar juist de factoren die helpen deze overgang soepeler te maken, vallen nu weg.

null Beeld Jip van den Toorn
Beeld Jip van den Toorn

En dat gaat over degenen die het geluk hebben gehad om werk te vinden. Met het sluiten van de horeca en winkels zijn veel studenten hun bijbaantje kwijt. Steeds vaker hoor ik van vrienden dat ze moeten aankloppen bij hun ouders om rond te komen. In mijn directe omgeving kan ik zo al een handvol mensen noemen die een hbo-diploma (of hoger) hebben, en nu boodschappen bezorgen of vaccineren bij de GGD.

Niemand klaagt, want het is niet anders, je betaalt de rekeningen ermee en je moet toch iets om de tijd te overbruggen. Daar hebben ze gelijk in. Maar het maakt de eindeloze Facebookreacties over de verwende jeugd die zeurt om een paar gemiste feestjes, wel moeilijker te verkroppen.

Waar het een jaar geleden inderdaad gek was om opeens niet meer naar de kroeg of op vakantie te kunnen, zijn de zorgen voor veel jongeren nu een hele andere vorm gaan aannemen. Kunnen we wel op tijd afstuderen, werk vinden, huur betalen en, misschien, nog een beetje sparen voor later?

Mijn vriendin en ik schenken nog een glas in en proosten op onze diploma’s, onze dromen en de toekomst.

Sonja Buljevac: ‘Steeds vaker hoor ik van vrienden dat ze moeten aankloppen bij hun ouders om rond te komen.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Sonja Buljevac: ‘Steeds vaker hoor ik van vrienden dat ze moeten aankloppen bij hun ouders om rond te komen.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Studeren zonder uitlaatklep

Sarah Vlootman (21) student rechtsgeleerdheid, Utrecht

Wanneer ik me haast om thuis te komen, voel ik het beetje energie dat deze avond me bracht weer verdampen. Mijn studentenkamer ligt aan de andere kant van het fietspad en ik weet dat het in de zwaarte die na het zwoegen in mijn kamer is blijven hangen uren gaat duren voordat ik in slaap kan vallen.

Vroeger werd me verteld dat studeren het ultieme paradijs is. Met geen woord werd gerept over de torenhoge leningen, de normen waaraan je moet voldoen en de studiepunten die je moet behalen. Al snel in mijn ‘volwassen leven’ merkte ik hoe groot de druk is wanneer je onderdeel bent van een systeem dat je met geen mogelijkheid kunt overzien. Maar ik nam de zwaarte voor lief, probeerde een uitmuntende student te zijn, en leefde daarnaast het vrije leven.

Uitzichtloosheid is de persoonlijke hel van iedere student. Je kunt die verbloemen door je leven vol te plannen. Leven van hoogtepunt naar hoogtepunt geeft de adrenaline waarop je eindeloos kan teren. Maar nu dat door corona niet meer kan, wordt zichtbaar dat zonder de uitlaatkleppen die een studentenleven karakteriseren, een instabiele situatie overblijft.

Het coronabeleid wordt gemaakt om de zwakkeren te beschermen. Daar sta ik volledig achter. Maar zwakte komt in vele vormen. Ik zit al een jaar op mijn studentenkamer en mentaal valt dat me zwaar. Het heeft bovendien mijn oma, die overleed aan corona, niet gered.

Daarom pleit ik voor meer aandacht voor jongeren. Ze moeten onderdeel zijn van het vormgeven van hun eigen toekomst. Laten we niet vergeten dat het niet lang duurt voordat wij de brokstukken mogen opruimen.

Sarah Vlootman: ‘Jongeren moeten onderdeel zijn van het vormgeven van hun eigen toekomst.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Sarah Vlootman: ‘Jongeren moeten onderdeel zijn van het vormgeven van hun eigen toekomst.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Alles loopt anders dan verwacht

Fanny de Vries (23), student-assistent Hogeschool Utrecht

In juni schreef ik nog dat de coronacrisis mij extra tijd en inzichten opleverde. Ik was blij met de pauzestand: eindelijk rust om te onderzoeken wat ik nou echt wilde in het leven. Hoe anders is dat een half jaar later. De extra tijd is een zee van tijd geworden, tijd om mij te vervelen en te piekeren.

De dagen duren te lang, het is te stil, er is te weinig uitdaging en het blijft maar duren. Om er niet aan onderdoor te gaan, ben ik de afgelopen maanden aan nieuwe dingen begonnen. Om ze niet veel later weer te moeten opgeven.

Zo meldde ik me als vrijwilliger aan om conciërge te worden op een dansschool. Als tegenprestatie mocht ik wekelijks modernedanslessen volgen. Maar al snel sloot de school en gingen de lessen online verder. In plaats van in een zaal met nieuwe collega-dansstudenten, ophitsende muziek en zwetende lichamen, stond ik met een vriendin in een veel te kleine studentenkamer te kijken naar een dansles via Zoom. De muziek liep steeds net een paar tellen achter op onze dansdocent. Het vrolijke dansgevoel was zo wel weg.

Daarnaast besloot ik een opleiding tot pilatesdocent te volgen. Wekelijks wrong ik mij in allerlei bochten op de mat. Maar al snel mocht je niet meer samenkomen in grote groepen en sloten ook de sportscholen.

null Beeld Jip van den Toorn
Beeld Jip van den Toorn

Eind 2020 begon ik met een kleine aanstelling als student-assistent aan de Hogeschool Utrecht. Met mijn team werk ik aan het bevorderen van sociale, economische en ecologische duurzaamheid binnen de hogeschool. Ik had er hoge verwachtingen van, hoopte mijn netwerk uit te breiden en uitwisselingen te organiseren met buitenlandse organisaties. In werkelijkheid kwam er door corona niets van terecht.

Door al deze dingen heb ik het afgelopen jaar soms het gevoel dat ik stilstond. Ik miste de uitdaging, de prikkels en het samenzijn met grote groepen mensen. Gelukkig mag je nog steeds met één iemand afspreken, iets ondernemen. Die momenten gebruik ik om mijn onvrede te kunnen ventileren. Even een klankbord te vinden. Ik deel veel meer met mijn vrienden nu al mijn andere activiteiten zijn weggevallen. De contacten zijn daardoor veel dieper geworden.

Er wordt weleens gewaarschuwd om niet te veel verwachtingen in je hoofd te creëren. Uiteindelijk loopt namelijk alles anders dan je verwacht. Ik leer daar nu beter op te anticiperen. Een aantal dingen kunnen niet meer, maar ik krijg er wel iets bijzonders voor terug.

Fanny de Vries: ‘De extra tijd is een zee van tijd geworden, tijd om mij te vervelen en te piekeren.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Fanny de Vries: ‘De extra tijd is een zee van tijd geworden, tijd om mij te vervelen en te piekeren.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Ongeluk is geen rekensom

Anne Giesen (22), afgestudeerd in algemene literatuurwetenschap, tussenjaar, Nijmegen

Een vriendin stuurt me een e-mail van een docent door. Daarin vraagt de professor haar studenten om geduld te hebben met zichzelf. Ze begrijpt dat leren nu lastig kan zijn. Eronder schrijft mijn vriendin hoe opgelucht ze is: ‘Ik kan wel huilen.’

Een jaar geleden stroomde mijn inbox over van zulke mails. Nu zijn ze zeldzaam. Ik schuif dit besef naar dezelfde hoek van mijn hoofd als de gesprekken waarin mijn vrienden niet langer dromen van stages en strandvakanties, maar van het opgeven van studies, het opzeggen van kamers, van vertrekken met de noorderzon.

Er wordt veel gesproken over de situatie van studenten en scholieren. In kranten kon ik lezen hoe ongelukkig we zijn, statistisch gezien. Daar blijft het bij. De overheid doet een poging om met gehalveerd collegegeld de druk te verlagen, maar toekomstmuziek betekent weinig in een heden dat zich ongenadig opdringt. Bovendien zijn lang niet alle jongeren studenten. Hoe zit het bijvoorbeeld met werkende jongvolwassenen, wonend in kleine studio’s, wier ‘huishoudens’ bestaan uit planten?

Er wordt ook veel gesproken over hoeveel er over ons is gesproken. Dat de aandacht voor het ongeluk van jongeren en studenten zo opvalt, schrijf ik deels toe aan het feit dat mentale problemen zelden zo serieus worden genomen als fysieke. Aan het begin van de crisis hoopte ik dat juist daarin verandering zou komen. Toen plots iedereen openlijk vroeg: ‘Ben je in orde?’, voelde ik eindelijk ruimte om dat níét te zijn. We hebben het kort volgehouden. Ik begrijp dat de ic’s niet vol liggen met wanhopige studenten, maar de wachttijden voor psychologen overschrijden de wettelijke grens met maanden.

Zelf kwam ik in de afgelopen maanden langzaam tevoorschijn uit een (precorona)depressie. Soms kijk ik terug en schrik ik van de dingen die ik tijdens de dieptepunten deed of dacht, dingen die ik tijdens die momenten vaak als vanzelfsprekend ervoer. De somberheid was zo langdurig, dat ik mijn zicht op wat voorafging was verloren. Mijn norm voor wat ‘normaal’ of acceptabel was, verschoof – geleidelijk maar gestaag, als een file.

De pandemie lijkt inmiddels een soortgelijk effect te hebben. Hoewel er veel over het ongeluk onder studenten wordt geschreven, voelt het alsof de ruimte voor verdriet, dat tijdens de eerste lockdown zo’n veelbelovend onderdeel van ons ‘nieuwe normaal’ leek, krimpt. Niet de hoeveelheid aandacht verandert, maar de soort. We wéten dat jongeren eenzaam zijn, maar we lijken het niet te vóélen zoals we in april misschien wel hadden gedaan. Daardoor kan, in ons nieuwe nieuwe normaal, het empathische ‘we hebben het allemaal samen zwaar’ veranderen in een geërgerd ‘wij hebben het allemaal óók zwaar’. En dus telt het niet, is de implicatie. Alsof een crisis een rekensom is waarin negatief en negatief elkaar uitvlakken.

Ongeluk is geen rekensom. Onze lege dagen stapelen zich op. Ik verwacht daarvoor geen magische oplossing. Maar laten we niet ongevoelig worden voor elkaars verdriet. Laten we weer e-mails sturen. Laten we de ruimte om niet-oké te zijn bewaken en het vooral niet normaal gaan vinden dat zo veel jonge mensen alleen nog dromen van verdwijnen.

Anne Giesen:  ‘Laten we niet ongevoelig worden voor elkaars verdriet.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Anne Giesen: ‘Laten we niet ongevoelig worden voor elkaars verdriet.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Vierkante vrienden

Ama Boahene (23) master strafrecht, Utrecht

In september begon ik aan een nieuwe studie. Nu, een halfjaar later, weet ik precies hoe de slaapkamers van mijn medestudenten eruitzien, wie er krakende oortjes hebben en wiens buren het luidruchtigst zijn. Alleen jammer dat we elkaar nog nooit hebben ontmoet. Ik ken een handjevol van mijn medestudenten, de meeste nog van voor de coronacrisis. Veruit de meesten blijven vierkantjes op mijn beeldscherm.

Sommige dingen gaan na een jaar coronaonderwijs beduidend beter, vooral op technisch vlak. Docenten weten zonder problemen een online bijeenkomst op te starten en studenten zijn zeer vaardig geworden in het opsteken en intrekken van virtuele handjes. Daardoor wordt ook blootgelegd dat online onderwijs geen kwestie is van ‘even wennen’. Een vorm van online onderwijs die zich kan meten met fysiek onderwijs ben ik nog niet tegengekomen.

Sommige docenten zetten in op kortere lesmomenten met minder mensen. Die kleinschaligheid is fijn, omdat je je beter kunt concentreren en er meer discussie mogelijk is. Maar één keer in de twee weken een werkgroep van drie kwartier biedt niet genoeg tijd voor vragen en inhoudelijke verdieping. Bij andere vakken houden ze daarom vast aan de oude stijl en worden er online bijeenkomsten gehouden met soms wel veertig studenten. Die lessen zijn stroperig, omdat de snelheid en groepsdynamiek van een fysieke omgeving ontbreken. Bovendien ligt de afleiding op de loer. Even een mailtje checken of je camera uitdoen om met een huisgenoot te kletsen – voor je het weet, heb je een halve les gemist.

De hoop op snelle verbetering maakte veel studenten aan het begin van de crisis optimistisch. Inmiddels is daarvan weinig meer over – de inspanningen van studenten en docenten ten spijt. We vereenzamen en missen veel van wat bij een goede opleiding hoort: discussie, verdieping en persoonlijke ontwikkeling. Dat geldt allang niet meer alleen voor de studenten die al psychische problemen of een moeilijke thuissituatie hadden. Alle jongeren zijn in deze crisis kwetsbaar.

Het is fijn dat het kabinet daar nu ook oog voor heeft en volgend jaar korting op het collegegeld geeft. Aan de andere kant is dat nog niet genoeg om iets te doen aan de benarde situatie waarin jongeren zich nu bevinden. Er is maar één echte oplossing voor de studieachterstanden, concentratieproblemen en eenzaamheid van jongeren: fysiek onderwijs.

De versoepelingen op andere gebieden laten zien dat het kabinet nog steeds niet voldoende is doordrongen van de noodzaak van fysiek hoger onderwijs. Sommige studenten zoeken elkaar op om samen te studeren, maar dat is met de strenge maatregelen nauwelijks mogelijk. Er zijn beperkte studieplekken beschikbaar op onderwijsinstellingen en in een studentenhuis met vijftien bewoners biedt één bezoeker per dag ook geen uitkomst. Daarom dragen studenten al maanden andere oplossingen aan: onderwijs op externe locaties, mondkapjes in de collegezalen, sneltesten. Er is geen excuus meer om niets aan de situatie te doen, want als deze crisis ons één ding heeft geleerd, is het wel dat er bergen verzet kunnen worden als we dat echt willen.

Ama Boahene: ‘Er is maar één echte oplossing voor de studieachterstanden, concentratieproblemen en eenzaamheid van jongeren: fysiek onderwijs.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Ama Boahene: ‘Er is maar één echte oplossing voor de studieachterstanden, concentratieproblemen en eenzaamheid van jongeren: fysiek onderwijs.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Beeldscherm

Ivar van den Brink (18), student onderwijswetenschappen, Utrecht

In juni 2020 schreef ik een stukje voor de Volkskrant over hoe ik mij nou voelde tijdens de coronacrisis. Ik had net mijn eindexamen gehaald en wist natuurlijk dat studeren niet ‘helemaal’ normaal zou gaan. Misschien moest ik een dag per week online onderwijs volgen, of met kleinere groepjes de kroeg in. Hoe ver zat ik er naast.

Voor een student ‘Onderwijswetenschappen’ is online onderwijs niet alleen een feit, maar ook goede gespreksstof. Is het effectief? Wat is de invloed op de motivatie van studenten? Door dit soort vragen ben ik actief aan het nadenken over het online onderwijs. Het heeft zeker nadelen, maar ook voordelen. In plaats van hoorcolleges krijg ik kennisclips die ik kan bekijken wanneer ik wil. Zo kan ik flexibel zijn met mijn studieplanning. Aan de andere kant is het ontwikkelen van sociale binding met medestudenten, heel belangrijk binnen de leeromgeving, door het online onderwijs erg lastig. Zeker nu veel studenten stikken in sociale isolatie, zou het deels openen van de universiteiten meer dan gewenst zijn.

Als eerstejaars student weet ik eigenlijk niet wat ik mis. Ik heb nooit van het studentenleven kunnen ‘proeven’. Ik ken alleen maar online werkgroepen en online borrels. Mijn universiteit is het beeldscherm van mijn laptop. Ik snak naar het onbezorgde. Naar niet nadenken over een mondkapje, of je wel voor 9 uur thuis bent, of je je wel houdt aan de maximale groepsgrootte, of je wel die anderhalve meter afstand houdt. Maar hoe vervelend deze crisis ook is, ik heb daardoor nog meer zin in de toekomst. ‘Gewoon’ naar de universiteit gaan, of een terrasje pakken: wat een feest.

Ivar van den Brink: ‘Mijn universiteit is het beeldscherm van mijn laptop.’ Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Ivar van den Brink: ‘Mijn universiteit is het beeldscherm van mijn laptop.’Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden