Thorbecke rampzalig voor kunst

Er vallen bij Thorbecke weinig lessen te trekken voor een bloeiend kunstleven,. De koningen waren kunstminnender

‘Thorbecke leidt alleen maar af’, aldus de kop boven het stuk van Jan Riezenkamp e.a. (Forum, 29 augustus). Thorbecke leidt inderdaad alleen maar af als het om nationaal kunstbeleid gaat, want niemand is daarvoor zo rampzalig geweest als onze nationale pilaarheilige. Er vallen bij hem voor een hedendaagse overheid die een bloeiend kunstleven is toegedaan, weinig lessen te trekken, behalve negatieve. In plaats van als exegeten die ene fameuze zinsnede – kunst is geen regeringszaak – te ontleden, is het zinvoller te kijken naar wat Thorbecke werkelijk deed.

Tijdens de oude Republiek bestond er op nationaal niveau geen overheid die een actieve bijdrage aan kunst en cultuur leverde, als we het persoonlijke mecenaat van enkele Oranjestadhouders buiten beschouwing laten. Op lokaal niveau was die er vaak wel, in de vorm van de stadsregering.

Van ‘vrije kunst’ was daarbij geen sprake, zoals daarvan vóór de Franse Revolutie in Europa zelden sprake is geweest. Vrijwel alle grote kunst uit het verleden was opdrachtkunst, ook in Nederland, en dan had de opdrachtgever meteen een forse vinger in de pap. Of dacht u dat Jacob van Campen in 1648 op eigen houtje met het Stadhuis van Amsterdam begon, of Rembrandt met de Nachtwacht, om vervolgens te kijken of er op ‘de markt’ belangstelling voor was?

Vanaf de Bataafse Omwenteling van 1795, toen het nieuwe revolutionaire bewind de stadhouderlijke verzamelingen confisqueerde en daaruit de eerste nationale musea creëerde, ging ook de nationale overheid zich ermee bemoeien. Ook voor stimulering van de eigentijdse cultuur werden plannen gemaakt, al werd daarvan door geldgebrek weinig gerealiseerd.

Lodewijk
De komst van Napoleons broer Lodewijk als koning van Holland in 1806 betekende een forse stimulans, en op instigatie van diens cultuurpaus Johan Meerman – wiens eigen collectie de basis vormt van het Museum Meermanno-Westreenianum in Den Haag – werden op rijksniveau tal van culturele instellingen in het leven geroepen; het Rijksmuseum, de Koninklijke Bibliotheek en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten dateren uit die tijd. Ook kwamen er voor het eerst studiebeurzen voor getalenteerde jonge kunstenaars, waardoor zij een paar jaar in Rome konden doorbrengen.

Met de inlijving bij Frankrijk kwam hieraan in 1810 een einde, maar na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 en de vereniging met België in 1815 heeft koning Willem I de draad weer opgepikt. Ofschoon zelf van enige kunstzinnige belangstelling gespeend, realiseerde hij zich dat zo’n overheidsmecenaat bij het koningschap hoorde en het internationaal aanzien van zijn nieuwbakken koninkrijk zou versterken.

Aanvankelijk stelde hij vrij royaal overheidsgeld voor cultuur beschikbaar. Daaraan kwam een einde met de Belgische Opstand van 1830; omdat Willem I negen jaar nodig had om de nieuwe realiteit te erkennen, wat in 1839 in het vandaag opnieuw actueel geworden Scheldeverdrag resulteerde, ging al die tijd al het overheidsgeld op aan een prijzig leger, voor het geval zich alsnog de kans zou voordoen om België te heroveren.

Stug
Pas toen na afloop van deze negen jaar het nakende faillissement ten gevolge van Willems stugge volhardingspolitiek niet langer te verbergen viel, kwam het parlement van de in 1830 resterende Nederlandse rompstaat tegen Willems autocratie in het geweer. Zo kwam er in 1840 een nieuwe grondwet die de macht van de koning een stuk inperkte; voor Willem I was dit, samen met het verlies van België, reden af te treden.

Wie toen hoopte dat met zijn kunstlievende zoon en opvolger Willem II de geldkraan in Den Haag weer open ging, kreeg ongelijk. De nieuwe koning wenste als kunstverzamelaar geen concurrentie van de staat, en dus bleef het rijkskunstbeleid even armoedig als in de voorafgaande tien jaar. Met de volgende grondwet, Thorbeckes huidige van 1848, die de koning politiek buitenspel zette, ging het nog verder bergafwaarts. Kunst heette geen regeringszaak.

Het door Lodewijk in 1808 opgerichte Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten werd omgevormd tot de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en verloor haar culturele poot, die Thorbecke als overtollige luxe beschouwde. De Prix de Rome, door Willem I als staatsprijs voor getalenteerde kunstenaars in het leven geroepen, werd opgeheven.

Duisternis
Een en ander staat niet op zichzelf. Het derde kwart van de negentiende eeuw, de gloriedagen van Thorbecke, mogen na de veelbelovende aanzetten onder de Bataafse Republiek, Lodewijk Napoleon en de vroege Willem I gelden als een periode van duisternis op het gebied van nationaal cultuurbeleid. Voor vrijwel niets was in Den Haag geld.

Hoe het na afloop van twee decennia liberale dominantie met het Nederlandse erfgoed gesteld was, is te lezen in het vlammende pamflet van de katholieke jonkheer Victor de Stuers: Holland op zijn smalst (1873). Mede dankzij De Stuers begon de overheid weer met een serieus cultuurbeleid. Wat onvermijdelijk ook in overheidsbemoeienis resulteerde, waarvan het in 1885 na veel gekonkel en geknoei gereedgekomen Rijksmuseum vandaag nog getuigt.

null Beeld null
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden