Column Thomas van Luyn

Thomas van Luyn ziet het niet gebeuren met de mannenrok

Foto Valentina Vos

En wéér is het niet gelukt met de mannenrok. Terwijl een man toch echt niets liever wil dan op kantoor komen in een soepel vallend zijden dingetje dat langs de dijen glijdt. Geeft wat meer beweging, wat elegantie wanneer je tussen de bureautjes door loopt - en het voelt ook prettig, wat lucht rond je zaakje. Helaas, ik en mijn seksegenoten blijven hardnekkig denken dat we gekke henkie niet zijn, dat we niet compleet voor lul gaan lopen, dat we al duizend jaar broeken dragen en dat we daar de komende duizend jaar niets aan gaan veranderen.

Mode is een harde business, kledingzaken gaan aan de lopende band failliet, textiel levert alleen geld op als ze door vlijtige Vietnamese kinderhandjes onder de naai-machine wordt gelegd, dus je zou denken dat er flink wordt nagedacht voor er iets in de markt wordt gezet. Toch wordt de mannenrok al sinds de jaren tachtig zo om de vijf jaar uit de mottenballen gehaald en steeds weer weigert het een hit te worden. Dan zie ik wel één of twee knapen op straat aan het verre uiteinde van zowel het mode- als het gender-spectrum die de stap wagen, en high five, wat mij betreft. Maar geen man die dat ziet en meteen naar de mannenrokkenwinkel rent. Dat had ik bijvoorbeeld wel toen ik voor het eerst een joggingbroek in een nette-pakkenstofje zag. Dat was natuurlijk hét gat in de mannenmarkt: joggingbroek plus net pak in één kledingstuk. Shampoo en conditioner in één fles. Briljant.

Toch denken modeontwerpers steeds weer dat het dit jaar wel gaat lukken. Dit jaar was de beste kans ooit. We zitten midden in de LGBTQRSTUVWXYZ-revolutie, de NS vervoert geen dames-en-heren meer, bij de toiletten ben je als man welkom om de wc-bril van de dames onder te komen pissen, de boel is beslist in flux. Toch heb ik dit jaar in het wild maar zeven jongens gezien die een rok droegen, waarvan nul in de Balkan. Daar zag ik dan weer wel veel joggingbroeken.

Hetzelfde geldt voor make-up voor de man. Werkelijk elke maand lees ik wel ergens dat het 'steeds gewoner' wordt voor mannen om zich op te maken. Waarschijnlijk verwijzen ze naar dezelfde paar mannen, die zich nu al zo lang opmaken dat het inderdaad steeds gewoner voor ze wordt. Ik ken er een paar van. Maar de meesten van ons zullen hun bleke pokdalige tronie onopgesmukt laten. Zelfs in Amsterdam. Om van Thessaloniki en Skopje nog maar te zwijgen.

Als ontwerper moet je wát, natuurlijk. In mijn hippe-klerenwinkel paste ik laatst een broek waarvan de gulp niet dicht kon: hij zat er wel, die spleet onder de broeksknoop, sterker nog: hij hing behoorlijk open en dat bleek de bedoeling. De verkoper zei dat het eraan zat te komen in de mannenmode, dat doorkijkje naar de piemel. Zou natuurlijk kunnen. De afzakbroek was ook een heel slecht idee, maar is lang volkomen dominant geweest in de hiphop, omdat je dan het prijskaartje op 's mans onderbroek kon inschatten. Dat is belangrijk, in sommige kringen.

Ik zeg tegen ontwerpers: concentreer je op zelfstrikkende schoenen, daar ligt de toekomst. En hoeden. Mannen moeten van de pet af en weer aan de hoed. Zodat we die weer in de lucht kunnen gooien als Oranje scoort.

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.