Column Thomas van Luyn

Thomas van Luyn gooit een bruine trui weg en realiseert zich dat hij een vreselijke fout heeft gemaakt

Beeld Valentina Vos

Ik heb een bruine trui weggegooid. Nee, dat is geen eufemisme voor poepen. Ik had een bruine sweater, en die moest ik wegdoen van Marie Kondo. U kent haar: Japans vrouwtje, opruimgoeroe, je kleren niet vouwen maar oprollen. Ze was een een jaar geleden een hype, maar ik ben een late adopter (misschien is ‘adapter’ in deze context wél correct), en griste haar boek mee bij de Ako. Er stond in dat ik alle kleren die don’t spark joy, me geen vreugde bezorgen dus, weg moest gooien. Daarmee lag de kledinglat behoorlijk hoog. Als ik streng in de leer was geweest, had ik alleen mijn Avengers-onderbroek overgehouden. Ik besloot dat de norm ‘dik tevreden’ goed genoeg was voor mij. Desondanks overleefde driekwart de schifting nog steeds niet. Ik had, zoals iedereen, veel kleren die ‘er nog prima mee door konden’, maar wanneer die dan precies waarmee door konden, daar had ik niet bij stilgestaan. Veel was te klein geworden – dat, of ik te dik. Ik gok het laatste. 

Jarenlang had ik broeken bewaard voor als ik eenmaal weer het goddelijke lijf van mijn twintigjarige zelf had gekregen. Bij het opruimen moest ik echter erkennen dat er in het verleden geen behaalde resultaten waren, die ook maar enige garantie voor een dergelijke toekomst konden bieden. Ook had ik veel kleren met chronische vlekken of mottengaten op plekken ‘die je toch nauwelijks ziet’. Dus zo’n overhemd dat ik nog prima aan kon, als ik tenminste een driedelig pak zou dragen om de uitgescheurde elleboog en de kerrievlekken op de borst te bedekken. Ja jeetje, anders zou het toch zonde zijn van die mooie kraag, die immers nog best wel toonbaar was.

De bruine trui was, het moet gezegd, spuuglelijk. Een oversized katoenen vod in de kleurtoon ‘oude ingedroogde drol’. Er hadden kleurige spikkeltjes in het weefsel gezeten die inmiddels waren verbleekt, zodat ik eruitzag als iemand met radioactieve roos. Attente mensen probeerden de spikkels wel eens discreet van mijn schouders te vegen. Het ding was desondanks mijn lievelings geworden. Waarschijnlijk omdat-ie zo flodderig zat dat ik ’m makkelijk aanschoot wanneer ik de vuilniszakken buiten moest zetten, of ziek in bed lag te rillen. Hij ging mee als noodtrui naar warme landen, hij mocht vies worden als er geklust werd.

Zo’n trui is goud waard. Iedereen heeft zo’n trui. Totdat je Marie Kondo in je leven laat.

Het was een frisse ochtend, ik rommelde door mijn kast op zoek naar de bruine trui, die immers ook dienst deed als onverwacht-frisse-zomerochtendentrui, toen ik met stijgend afgrijzen besefte dat ik een vreselijke fout had gemaakt. Ook mijn te kleine linnen broek die me prima paste als ik de bovenste knoop open liet, mijn zijden overhemd met het sigarettenbrandgaatje in de rug, en potdorie mijn New York-Marathon-T-shirt, waarin ik na de marathon een week lang trots als een pauw had rondgelopen, ook al was-ie XXXL en zat hij als een soepjurk, en die daarna nooit meer had gedragen – dat en nog veel meer dierbare kneusjes had ik in de roes van mijn Japanse opruimwoede in de kledingcontainer gedumpt.

Les geleerd. Niet alles hoeft joy te sparken. Sommige lelijke troep hoort nou eenmaal bij me. Mijn boekenkast bijvoorbeeld bevat veel rommel, maar er zit maar één boek tussen dat ik weg ga gooien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden