Column Eva Hoeke

Terwijl ik mijn camera zocht, voelde ik het moment door mijn vingers glippen

Op de mooiste dag van het jaar kon ik mijn camera niet vinden.

We hadden de vaste orde doorbroken door een huisje te boeken op Terschelling, nog nooit was het zo warm geweest in oktober, en reeds op de boot lieten we ons voornemen om tijdens de vakantie nog wat te werken varen.

In het huis was het zoals het altijd was. Portugese tegels, caféstoelen aan een lange houten tafel en een tuin met schommels en hutten waar onze Dochters en die van het bevriende stel luid gillend in verdwenen om er pas uren later met zwarte knieën, jaszakken vol eikels en helikopterblaadjes uit vandaan te komen.

De status quo stelde gerust. De potjes kruiden in viervoud in de la, telkens opnieuw aangeschaft en achtergelaten door vorige vakantiegangers, de fles Juttersbitter op de bar, de sleutel achter de poot van de tuintafel wanneer we de deur uit gingen. Tij en Ontij, Semper Fides, Ouwe Seun. Nieuw was het huren van een bakfiets waarin de Dochters zij aan zij zaten en ‘lieve, lieve lief koníjntje’ zongen op de wijs van Glory, glory Hallelujah. ‘Laat mij maar’, zei de Man toen hij me zag hannesen met het evenwicht. ‘Mijn vader was bakkersknecht.’

Tijdens de koffie fantaseerden we hardop over hoeveel geld die de eilanders wel niet moesten verdienen met hun huisjes en hun bootjes en hun alleenheerschappij, en hoe goed ze eraan deden die rijkdom vooral niet uit te stralen. De eilander kon je uittekenen in fleecetrui en driedagenbaard, en gelijk hadden ze, want we geven we ons geld graag aan bescheiden mensen, aan tevréden mensen, aan een illusie, desnoods. ‘Als wij de boot zien aankomen’, zei de barvrouw van de koffiezaak in de haven. ‘dan zeggen we tegen elkaar: daar komt weer een schip met geld.’

Halverwege de week begonnen we mensen te herkennen. Het echtpaar met de teckel, de wandelclub, de alleenstaande moeder met haar knappe, eenzame dochtertje. Op mijn neus verschenen sproeten, maar de herfst hing in de lucht, als je te lang bleef zitten trok de kou vanuit de grond je botten in. ‘s Avonds, wanneer de Dochter en haar nieuwe kamergenootje zich na uren van overdreven vriendinnengedoe eindelijk hadden overgegeven aan de slaap spraken wij bij een fles wijn over onze ouders, en ik realiseerde me dat onze kinderen ons over dertig jaar ook zo zouden zitten analyseren. ‘s Nachts, toen ik wazig van de drank wakker lag, kreeg het huis iets onheilspellends waar ik me de volgende ochtend, bij kalm daglicht, niets meer bij voor kon stellen. De assistente van de dokterspost die ik bezocht vanwege een insectenbeet vertelde dat er in al die jaren maar één moord was gepleegd op Terschelling, toen een psychiatrische patiënt op weekendverlof een jongetje uit Midsland had doodgestoken. De moeder was vertrokken, de vader gestorven.

De vrienden moesten terug, de dynamiek veranderde. De Dochter (3) had genoeg aan zichzelf en haar magische leeftijd, en werd daarin niet geremd door haar vader. Door zijn ogen werden graafmachines dinosaurussen, paardenhopen sporen van het Koekiemonster, en bewonderd door de Dochter liet hij op het strand zien hoe je van een duin rolt, ‘s avonds zat zijn broek nog steeds links gedraaid.

De laatste dagen waren voor opa en oma, voor de zuiverheid van familie, van een potje voetbal in de tuin, de gehaktballen van mijn moeder. Terwijl de vliegen door de lucht dansten weerkaatste de zon op het witte haar van de jongste (1) en de oudste (64), en terwijl ik naar binnen holde om mijn camera te zoeken voelde ik het moment door mijn vingers glippen.

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden