Column Sylvia Witteman

Terwijl het snoep in mijn mond uit elkaar viel, voelde ik dat mijn knieën doorweekt waren van het natte gras

Sinds mijn oude moeder naar de Rivierenbuurt is verhuisd, kom ik daar regelmatig, met tupperwarebakjes mantelzorgsoep in mijn fietstas. Soms krijg ik iets mee naar huis: een oude foto, een boek dat ik beslist moet lezen, een klein rood mutsje dat ze heeft gebreid voor een pinguïn die ik wel nooit meer terug zal zien.

Melancholiek fietste ik langs het Victorieplein. Daar staat een lelijk standbeeld van Berlage, plomp en gedrongen, alsof het indertijd is neergelaten aan een parachute die onverhoeds niet open ging. In het grasveld onder het beeld stonden twee kleine meisjes, ik schatte ze op 7 en 9. Zusjes, met warrige blonde krullen die oplichtten in de winterzon. De kleinste huilde.

Ik stapte af. Het meisje hield op met huilen en zoog op haar wijsvinger. ‘Heb je je pijn gedaan?’, vroeg ik. ‘Ze heeft haar vinger geknakt’, zei haar zus. ‘Misschien is hij wel gebroken’, voegde ze er met dramatisch opengesperde ogen aan toe, waarna de kleinste opnieuw smartelijk begon te snikken.

‘Laat eens zien’, zei ik. Ik zakte op mijn knieën en pakte voorzichtig het kleverige handje. Ik heb heel wat ‘misschien wel gebroken’ kindervingers gezien en het viel altijd mee. Nu ook, zo bleek na enig duwen, buigen en strekken, waarbij het kind de adem inhield, maar geen geluid gaf. ‘Het is oké hoor’, zei ik. Ik nam haar ijskoude handen tussen mijn warme, en wreef zachtjes. Míjn moeder placht, lang geleden, mijn koude kinderhanden onder haar arm te stoppen. Dat was écht lekker warm, maar zo’n wildvreemde oksel wilde ik het meisje niet aandoen.

Terwijl ik wreef, keek ik naar het zogeheten 12-verdiepingenhuis achter Berlage, in de volksmond ook wel ‘de wolkenkrabber’ genoemd, omdat het in zijn bouwjaar, 1932, zo angstaanjagend hoog leek voor de Amsterdammers, die nog nooit een echte wolkenkrabber hadden gezien. W.F Hermans merkte terecht eens op dat het gebouw ‘iets weg had van een enorm vergroot onderdeel uit een radiotoestel’.

‘Het doet niet zo’n pijn meer’, zei het meisje dapper. Ze trok haar handen terug, grabbelde in haar jaszak en trok een rolletje Stophoest tevoorschijn. Haar zusje en ik kregen er ook een. ‘Ze helpen niet echt tegen hoesten’, sprak de oudste sabbelend. ‘Ze helpen eigenlijk tegen niks.’

Terwijl het snoep in mijn mond uit elkaar viel, voelde ik dat mijn knieën doorweekt waren van het natte gras. Ik dacht aan dat gedicht van Ischa Meijer, Victorieplein:

‘Om niet. Om niet is het dat ik hier ga, /De vrieskou in mijn jas laat dringen/ alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen/ terwijl ik roerloos in de deurpost sta.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden