Column Sarah Sluimer

Terwijl de kinderkapper zijn lange lokken knipte, verdween het laatste restje baby voorgoed uit zijn gezichtje

De peuter moest naar de kapper. Pieken hingen over zijn oren en ogen. Zijn dopneus piepte nog net tevoorschijn tussen het struweel, maar verder was hij als een homo helmei. Omdat we in een nieuwe stad woonden, moesten we ook een nieuwe kapper vinden. Onze oude, die een gladde salon met loungemuziek en marmeren vloer had opgetrokken in een scheefstaand Jordanees pandje, knipte kinderen alsof hij ondergekakte brandnetels moest wieden. Met opgetrokken neus, de haren voorzichtig tussen wijs- en middelvinger. Hij zei nooit een woord tegen het gebroed, wat op mijn peuter de eigenaardige uitwerking had dat hij kirrend en lonkend de kapper tegemoet trad. De beentjes trappelend onder de veel te grote cape, de kriebelende haartjes wuft wegblazend met het frambozenmondje: een bezoek aan de ‘kinderlapper’, zoals mijn zoontje de beste man nogal Roald Dahlesk noemde, was een hoogtepunt in zijn leventje.

De nieuwe kapper heette barber en bevond zich in een winkelstraatje met veel leegstand. Binnen werd het hele arsenaal aan hipsterchic ameublement met trots aan ons gepresenteerd alsof het 2015 was. De oude piano, de groezelige Brooklynspiegels, de Amerikaanse tabaksreclames aan de muur: ze waren hier nog volkomen vanzelfsprekend. Eén kapper had een lange rode baard en vriendelijke ogen, de ander zag eruit als het bedremmelde neefje van Jort Kelder. De baard had de eer. De peuter begon onmiddellijk te steigeren. Pas toen hij bij zijn vader op schoot zat, de ogen vastgeklonken aan het beeldscherm van een telefoon, kon het grote knippen aanvangen.

Zoals altijd gebeurde er, direct na het vallen van de eerste plukken, iets onvoorstelbaars. Een kind knippen is als beeldhouwen: de transformatie doet je versteld staan. Opeens zag ik hoe stevig zijn schoudertjes, hoe ferm de twee flapoortjes en hoe puntig het kinnetje eigenlijk waren. Hoeveel vet er al uit zijn wangen was verdwenen en hoe zijn wenkbrauwen zwaarmoedig boven zijn ogen hingen. Een laatste restje baby verdween voorgoed. Een jongetje werd vanonder de bruine plukken tevoorschijn getoverd.

We liepen terug naar de auto. Hij had zijn schoudertjes een beetje opgetrokken, alsof hij ondanks de zomerhitte de rillingen over zijn nakende nekje voelde gaan. Ik keek naar hem. De ogen, donkerbruin omringd door krullende wimpers, stonden op onweer. Hij stampte een beetje, en mompelde iets over ‘stomme kinderlapper.’

Ik trok hem tegen me aan, probeerde hem te knuffelen, maar hij duwde me nukkig weg en ging voor me lopen.

Met zijn lange haren was ook het laatste restje van zijn voormalige thuis verdwenen. Wat restte was een grote jongen in een lege winkelstraat, zich opeens bewust van de eindeloze teleurstellingen in het leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden