Tegelijk intens verdrietig en volmaakt gelukkig op een bergflank

Column Sander Donkers

Sander Donkers Foto Berto Martinez

Wat ik zocht was het openingsbeeld uit de filmversie van De Naam van de Roos. Wat ik kreeg, kwam dichtbij genoeg. Geen mannen in monnikspijen op ezels, maar een vijftal dierbaren en onze kinderen, allemaal behangen met rugzakken als voor een pelgrimage. Geen over een dramatische bergrug gedrapeerd klooster, maar een stokoud kapelletje en een bergmeer op 2.500 meter hoogte. En vlak daarnaast onze rifugio, Italiaans voor 'naar gestold zweet meurende berghut'.

Overnachten in zo'n hut is de prijs die je betaalt voor de schoonheid van het hooggebergte. Vanuit de bewoonde wereld kun je niet in één dag op en neer, en dus ben je aangewezen op sombere stenen gebouwen met slaapzalen vol wrakke stapelbedden, waar je moet lopen op crocs die vele zweetvoeten hebben gedragen, en waar je van alles kunt eten zolang het maar een variatie is op het thema gesmolten kaas, spek en ui.

Bij daglicht leek het allemaal nog wel te doen, maar toen om half tien sharp het licht uitging, sloeg de wanhoop toe. Vanwege al het gesnurk en gekraak om me heen, en de buikpijn van de windjes die ik tevergeefs poogde binnen te houden (zie bovengenoemd thema), kwam van slapen niets terecht. In het uurtje dat ik wegdoezelde, had ik een nachtmerrie waarin ik het complete wandelgezelschap op beestachtige wijze afslachtte. Alpendromen, ook bij de prijs inbegrepen.

Zodoende begon ik in de vroegste vroegte met bezwaard gemoed aan een tocht die de optimisten onder ons 'uitdagend' noemden, en een normaal mens gewoon gekkenwerk. 18 kilometer, 3 cols, 1.300 hoogtemeters, terwijl Italië zuchtte onder een zware hittegolf. De avond tevoren hadden we de drie pubers nog een uitweg-zonder-gezichtsverlies geboden, maar tot onze verbijstering zeiden ze wel zin te hebben in een 'challenge'.

De Italiaanse Alpen. Foto afp

Nu keek ik naar ze, hoe ze zigzaggend naar de eerste col meteen een vrolijk keuvelende kopgroep vormden, strooiend met citaten van mij onbekende hiphoppers. Alle drie kende ik ze vanaf hun geboorte. Ik had ze zien brabbelen, dreinen, kotsen, vallen, waggelen. Ik had ze voorgelezen, standjes gegeven, getroost. Opeens zag ik hoe hun kuiten gevuld waren. Dat de meisjes hun sprieterigheid achter zich lieten. Dat hun grapjes niet langer vertederend flauw waren, maar behoorlijk geestig. En dat er geen onvertogen woord over hun lippen kwam. Want piepen mocht als je door je ouders verplicht werd iets te doen. Als je er zelf voor gekozen had, was het niet cool.

Langzaam liepen ze op ons uit. Steeds kleinere stipjes in een majestueus maanlandschap. In mijn hoofd klonk de weemoedige stem van Raymond van het Groenewoud, het prachtige Twee Meisjes. 'Een bladzijde slaat om', zong hij. In een andere context, maar dat was precies wat er gebeurde. Een proces van jaren werd samengebald in een plotseling besef. We zouden ze niet meer inhalen. Vandaag niet, nooit niet. En zo hoorde het natuurlijk ook.

Heel even was ik intens verdrietig en volmaakt gelukkig tegelijk. Toen herinnerde ik me dat aan het einde van dit pad, als we daar tenminste ooit zouden komen, een nieuwe rifugio op ons lag te wachten.