Opinie Asielzoekers

Te weinig vluchtelingen krijgen noodzakelijke psychische hulp

Psychische problemen van asielzoekers worden door Nederlandse huisartsen en psychologen onvoldoende herkend.

In 2014 werden voornamelijk Syrische vluchtelingen opgevangen in de IJsselhallen in Zwolle. Foto Harry Cock/de Volkskrant

In het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau ‘Syriërs in Nederland’ staat dat 40 procent van de Syrische vluchtelingen psychische problemen heeft. En dat maar 8 procent van de vluchtelingen daarvoor hulp ontvangt. Hoe komt het dat zoveel vluchtelingen er psychisch beroerd aan toe zijn nu ze de ellende van de oorlog achter zich hebben gelaten? En hoe kan het dat zo weinig vluchtelingen in Nederland psychologische hulp krijgen?

Om die vragen te beantwoorden is het zinnig de vluchteling te volgen op de lange reis van Syrië naar Nederland. En bij iedere fase van de vlucht te kijken naar het aandeel van de vluchteling en die van de zorg om te begrijpen waarom zo weinig mensen adequate psychologische hulp krijgen.

Na de verschrikkingen van de vlucht komt de asielzoeker in Nederland aan. De volwassene wordt gescreend op infectie- en importziekten, en kinderen vallen, net als de ­Nederlandse, onder de jeugdgezondheidszorg. Er zijn verschillende beren op de weg. Nareizende kinderen zijn vaak moeilijk terug te vinden. De ­familie kent haar medische voorgeschiedenis niet. Communicatie tussen Nederlandse professionals verloopt vaak moeizaam.

Asielzoekers worden vaak overgeplaatst. Overplaatsing verstoort een gevoel van veiligheid en hechting: één overplaatsing verdubbelt de psychische problemen bij jonge vluchtelingen, zo blijkt uit onderzoek. Bovendien vindt de staf in het asielzoekerscentrum het moeilijk om psycho­sociale problemen te herkennen. Er is geen handige test voor, zoals die wel bestaat voor andere ziekten. De asielmigrant zweeft tussen wittebroodsweken vol verwachtingen en ongerustheid over de familie in het herkomstland.

Het asielzoekerscentrum is vaak overbevolkt, en na de eerste periode van euforie lijden veel asielzoekers onder de apathie en de onzekerheid over de afloop van de procedure. Het is geen wonder dat onderzoek aantoont dat de stress na aankomst vaak groter is dan de trauma’s van de oorlog. Zo vond Laban dat psychiatrische aandoeningen onder Iraakse asielzoekers na twee jaar wachten op hun verblijfsvergunning met de helft toenam, van 42 tot 66 procent.

Als de asielzoeker de vluchtelingenstatus krijgt, valt hij onder de reguliere zorg. Opvallend genoeg blijken vluchtelingen, net als migranten, heel goed hun weg te vinden naar de huisarts. Sterker nog, ze kloppen daar iets vaker aan dan de doorsnee Nederlander. Ze hebben veel waardering voor de steun en het begrip van hun huisarts en voelen er weinig voor om naar de ggz doorverwezen te worden. Er rust immers een taboe op psychologische hulp en als je met je huisarts, familie of vrienden kunt praten, waarom zou je dan een psycholoog bezoeken voor een behandeling waar je geen voorstelling van hebt?

Als de huisarts psychosociale hulp zou willen verlenen, is het een hele klus om te begrijpen waaraan de vluchteling lijdt. Het merendeel van de Syrische vluchtelingen is laag tot middelbaar opgeleid en is vaak niet bekend met begrippen als depressie of trauma. Zij uiten hun malheur met cultuureigen idiomen als ‘zwaarte’ of ‘verkruimelen van het hart’ of ‘kramp in de slokdarm’, begrippen waar een Nederlandse hulpverlener weinig van snapt.

Hoe moet een eerstelijnshulpverlener een brug slaan tussen die twee belevingswerelden? En als het al lukt hier samen uit te komen, zijn de meeste psychologische behandelingen te complex voor een huisarts of eerstelijnspsycholoog. En stel dat de huisarts overweegt te verwijzen naar de geestelijke gezondheidszorg. Dan moet zij eerst uitzoeken welke psychologische problemen er spelen. De huisarts herkent psychologische problemen bij ongeveer één van haar twee Nederlandse patiënten, een goed gemiddelde in westerse landen. Maar bij vluchtelingen herkent de huisarts maar één op de zes mensen met psychische problemen.

En als zij de problemen onderkent, stuurt zij ongeveer één op de drie Nederlanders door naar de ggz. Maar bij vluchtelingen is dat één op de negen.

Maar stel dat er vervolgens plaats is bij de ambulante ggz, zonder demotiverende wachtlijst, en de vluchteling is schoorvoetend aangeland. Dan hoopt hij daar een ‘psy’ te vinden die met cultuurverschil kan omgaan. In de psychiatrie en de medische faculteiten is culturele competentie onderdeel van de opleiding, maar de psychologieopleiding is een overwegend hagelwitte wereld.

En stel nu dat de vluchteling een geschikte praktijkondersteuner, psycholoog of psychiater vindt, dan is er nog een ander obstakel. In therapie wordt verwacht dat hij zijn emoties kan verwoorden, of dat hij bijvoorbeeld de spanningen in het gezin die na de gezinshereniging zijn ontstaan, met zijn therapeut deelt. Dat is voor veel vluchtelingen een brug te ver.

Kortom, het is heel goed te begrijpen waarom maar 8 procent van de volwassen vluchtelingen psychologische hulp ontvangt, een cijfer dat overigens de afgelopen twintig jaar even zorgwekkend als stabiel is. 

Joop de Jong is psychiater en em. hoogleraar in Amsterdam, Boston en Zuid-Afrika.