Opinie Aanvraag onderzoeksbeurs

Te veel rompslomp bij het aanvragen van onderzoeksbeurzen voor de wetenschap

Stop de huidige verdeelprocedure van onderzoeksgeld en deel de beschikbare beurzen gewoon uit. 

Labjassen in het biologisch laboratorium van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Beeld Marcel Wogram / de Volkskrant

Op Prinsjesdag maakte het kabinet bekend volgend jaar 248 miljoen extra uit te gaan geven aan wetenschappelijk onderzoek. Dit geld zal verdeeld moeten worden over wetenschappers. Een uitstekend moment om het te hebben over verdeelprocedures. Wij roepen op te stoppen met de gebruikelijke bureaucratische procedure die uiterst inefficiënt, ongelijk en onmeritocratisch is.

Die verdeelprocedure verloopt namelijk over het algemeen als volgt: Wetenschappers werken wekenlang aan een uitgebreid onderzoeksvoorstel voor een competitie met een slagingspercentage van maximaal 10 tot 20 procent. Alle ingediende onderzoeksvoorstellen worden, samen met de cv’s van de aanvragers, beoordeeld door meerdere andere wetenschappers. Dit zijn leden van door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) samengestelde commissies en ook nog externe referenten. Er zijn meerdere rondes, waarbij kandidaten afvallen, en in sommige gevallen moeten finalisten zelfs op interview. Al het geld wordt verdeeld onder de kleine groep winnaars, terwijl goedscorende verliezers niks krijgen.

Deze procedure kent veel nadelen. Er zijn hoge administratiekosten, maar het is vooral zonde van de schrijf- en evaluatietijd die aanvragers en referenten nu niet kunnen besteden aan onderwijs of onderzoek. Hoogleraar ooggenetica Frans Cremers (NRC, 1 maart 2014) schatte dat hij 40 procent van zijn tijd kwijt was aan aanvragen schrijven. Het Rathenau Instituut berekende in 2013 al dat deze procedure in de bekende Veni-competitie (160 beurzen van 250 duizend euro te verdelen over zo’n 1.200 net gepromoveerde aanvragers) 9,5 miljoen euro kostte, bijna een kwart van het te vergeven geld.

Onnodige strijd

Daarnaast creëert dit alles-of-niksproces stress bij onderzoekers en competitie binnen werkplekken, omdat zij die beurzen binnenhalen vaste contracten krijgen met veel minder onderwijstaken. Het leidt ook tot hoge ongelijkheid, waarbij een klein clubje supersterren een groot deel van het geld opeist en daarmee ook de macht in de Nederlandse wetenschap in handen heeft.

Er is wel een wereld te bedenken waarin deze procedure de moeite waard is. In die droomwereld gaat dankzij deze dure maar noodzakelijke procedure al het geld naar de paar onderzoekers die onderzoek beloven te gaan doen dat duidelijk iets geweldigs zal gaan opleveren voor de samenleving en wordt geld bespaard op de grote meerderheid die duidelijk onzinnig onderzoek voorstelt.

In werkelijkheid is kwaliteit van onderzoek dat nog gedaan moet worden lastig vast te stellen en succes moeilijk te voorspellen. Veel beroemde ontdekkingen zijn per ongeluk gedaan of pas na aanvankelijke scepsis later erkend. In de praktijk gaan beoordelaars met deze onzekerheid om door naar het cv van de aanvrager te kijken, zoals onderzoek dat de auteurs eerder dit jaar publiceerden (Wetenschap, 24 april) aantoonde: Succesvolle wetenschappers winnen meer beurzen omdat hun eerdere succes gezien wordt als een teken van kwaliteit. Goede voorstellen met de naam van een gevestigde wetenschapper erop winnen het regelmatig van betere voorstellen van nieuwkomers. De cv’s van de winnaars worden steeds sterker, waardoor zij in de volgende competitie nog meer kans maken en een Dagobert Duck-effect optreedt.

Alleen de besten?

Maar stel dat evaluaties puur de aanvragers met de meest belovende voorstellen en niet die met het beste cv zouden aanwijzen. En stel dat dat kon zonder verkwanseling van veel geld aan de aanvraagprocedure. Moet al het geld dan naar die selecte personen? Heeft iemand met het best beoordeelde onderzoeksvoorstel nooit genoeg geld? Is elke euro die gaat naar de excellent geachten beter besteed dan aan de vele verliezers die helemaal niks krijgen? Zelfs dan niet, denken wij. De principes van verminderende meeropbrengst en van gespreid beleggen leren dat eerlijker verdelen efficiënter is.

Hoe dan wel? Verschillende alternatieven zijn de afgelopen jaren voorgesteld. De pot gelijk verdelen door middel van een lumpsum is een optie. Om grotere bedragen te kunnen uitdelen, wordt regelmatig het idee van loterijen geopperd, zoals onlangs weer door Matthias Egger, president van de Zwitserse onderzoeksraad. Computerwetenschapper Johan Bollen en ecoloog Marten Scheffer bedachten het SOFA-model, waarbij alle wetenschappers een som krijgen waarvan zij een deel moeten overdragen naar andere wetenschappers die zij vrij mogen kiezen. Al deze alternatieven hebben gemeen dat zij het kunnen doen zonder het eindeloze schrijven, administreren en beoordelen van voorstellen.

Laten we de extra investering in onderzoek aangrijpen om het verdeelmodel te herzien. De huidige methode is duur en berooft veel talentvolle wetenschappers van een eerlijke kans op het koppig najagen van een idee waar weinig anderen vooraf van te overtuigen zijn. Deel beurzen gewoon uit, zonder aanvraagprocedures. Dit bespaart geld, vermindert ongelijkheid, is meritocratischer en wetenschappelijk verantwoord. 

Arnout van de Rijt is hoogleraar sociologie aan Universiteit Utrecht. 

Thijs Bol is universitair hoofddocent sociologie aan de UvA.

Mathijs de Vaan is universitair docent aan Haas School of Business, UC Berkeley.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.