Te losjes is ook niet goed

Moderne mensen zijn sterk geïndividualiseerd. Het is daarom van belang dat ze niet te informeel met elkaar omgaan.

Anton Zijderveld

In de jaren zeventig, tachtig en negentig is de informalisering van onze omgangsvormen sterk toegenomen. In het begin van de jaren zeventig, toen ik een jonge hoogleraar in Tilburg was, werd ik niet alleen door studenten, maar ook buiten de universiteit als professor aangesproken. Brieven begonnen steeds met ‘Hooggeleerde Heer’ en die titulatuur werd ook op de enveloppen aangehouden. Na mijn ervaringen in Noord-Amerika vond ik dat behoorlijk overdreven, maar het streelde eerlijk gezegd ook wel mijn jeugdige ijdelheid.

Dit is nu totaal voorbij. Regelmatig krijg ik brieven die geadresseerd zijn aan ‘Anton Zijderveld’ en per e-mail word ik ook door mij onbekende lieden begroet met ‘Hoi Anton’. Studenten willen ook niet meer met ‘u’ worden aangesproken. Overigens valt het mij op dat ze omgekeerd nog wel enige schroom hebben mij met mijn voornaam aan te spreken. De misvatting bestaat dat deze informalisering ook een grotere gelijkheid betekent. Dat is niet het geval. Het is sociologisch belangrijk onderscheid te maken tussen gelijkheid en gelijkwaardigheid. Bij gelijkheid gaat het om afwezigheid van grote verschillen in inkomen, bezit, vermogen en macht. We hebben het dan over een egalitaire klassenstructuur. Bij gelijkwaardigheid gaat het om afwezigheid van verschillen in aanzien, prestige en gezag. We spreken dan van een egalitaire standenstructuur.

Klassencultuur
In het proces van modernisering is de armoede van vorige eeuwen sterk teruggedrongen, maar zij is niet verdwenen. We hebben nog steeds een klassenstructuur met behoorlijk grote verschillen in inkomen, bezit, vermogen en macht. Maar de modernisering heeft wel nogal radicaal de ongelijkwaardigheid van de vroegere standenmaatschappij teruggedrongen. Standsverschillen zijn nog aanwezig, maar bij lange na niet zo sterk als vóór 1960. We noemen het ook wel nivellering. De Duitse socioloog Helmuth Schelsky merkte eens op dat een moderne maatschappij gekenmerkt kan worden als een ‘nivellierte Mittelstandgesellschaft’.

Deze informalisering en nivellering zijn overal waarneembaar, zelfs in de West-Europese koningshuizen, niet het minst in ons koningshuis. Voor Juliana moest nog naar een prins als echtgenoot worden gezocht. Beatrix trouwde met een man uit de Duitse adel. Maar Willem-Alexander vond zijn vrouw in de burgerij. Alle andere prinsessen van zijn generatie zijn eveneens van burgerlijke komaf. Ze worden bij hun huwelijk ineens verheven tot de top van de adellijke hiërarchie, net als hun kinderen. Ze vormen aldus een verburgerlijkte monarchie van onze ‘genivelleerde middenstandssamenleving’.

Het is de vraag of deze verburgerlijking niet de legitimiteit van ons koningshuis ondermijnt. Een monarchie heeft er ook in een moderne samenleving baat bij enige afstand te bewaren tot de bevolking. Als zij ‘gewoon’ wordt, verliest ze aan kracht en loopt ze gevaar overbodig te worden.

Onparlementair
Dit brengt ons bij een ander proces dat met de informalisering gelijk opgaat: het in toenemende mate direct worden van onze omgangsvormen. Vroeger kenden we het begrip ‘onparlementair gedrag’, dat was brutaal, onfatsoenlijk, grof gedrag dat afweek van de omgangsvormen in het parlement. Maar de parlementaire omgangsvormen zijn de afgelopen decennia grondig veranderd. ‘Effe dimmen!’, ‘de minister is knettergek’ en soortgelijke uitroepen zijn nog wel uitzondering, maar de omgangsvormen in het parlement zijn toch veel minder ‘parlementair’ geworden. Een onderdeel van deze nieuwe directheid zijn de oneliners: korte, kreetachtige uitdrukkingen, die gretig door de media worden geregistreerd, gedrukt en uitgezonden. Kenmerkend was de oneliner van Pim Fortuyn: ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg!’ Het is een krachtige uitspraak, maar roept bij nadere beschouwing toch wel vragen op. Is het wel verstandig in de omgang met elkaar te zeggen wat we denken? Is het voor een alledaags gesprek, of voor een moeilijk gesprek tussen werkgever en werknemer, wel verstandig te zeggen wat wordt gedacht? Een conflict is snel geboren en kan behoorlijk uit de hand lopen als er ook nog gedaan wordt wat eerst gedacht en gezegd werd.

Deze directheid is onderdeel van de modernisering van ons land, zij het dat zij cultuurhistorisch gezien een oudere oorsprong heeft. Een belangrijk verschil tussen katholieken en protestanten is precies op dit punt. Protestanten – vooral als ze calvinisten zijn – vinden het doorgaans oneerlijk om niet te zeggen wat ze denken. Katholieken die niet schromen een ‘leugentje om bestwil’ te verkondigen en doorgaans de directe kritiek of aanval vermijden, noemen deze eerlijkheid een botheid die als kwetsend wordt ervaren.

Vergadercultuur
Tussen 1971 en 1985 doceerde ik als protestant aan de toenmalige Katholieke Hogeschool Tilburg. Ik ergerde me in toenemende mate aan de vergadercultuur aldaar, die gekenmerkt werd door omtrekkende bewegingen, door niet recht toe recht aan te zeggen wat men vindt en wil gaan doen. Toen ik wegging, zei mij een collega met een onkatholieke eerlijkheid dat het goed was dat ik vertrok, omdat ik te direct was. Dat – zo voegde hij eraan toe – zal aan de Erasmus Universiteit Rotterdam beter gewaardeerd worden. Hij had daarin gelijk, zij het dat ik in deze universiteit gelukkig niet tegen de geest van Calvijn doch tegen die van Erasmus aanliep. In het alledaagse leven zijn onze omgangsvormen waarneembaar directer geworden.

Het overvloedige tutoyeren is niet alleen een kwestie van informalisering, maar ook van grotere directheid. Het vermindert de afstand tussen mensen. Vaak zelfs letterlijk en lichamelijk, want de handdruk heeft plaatsgemaakt voor een overvloedig kussen van vrouwen door mannen – en ook van vrouwen door vrouwen en soms van mannen door mannen. Het is in die zin ook ouderwets om het onprettig te vinden in het sociale verkeer lichamelijk aangeraakt te worden. Ik merk bij mijzelf nog steeds deze postcalvinistische weerzin wanneer een mij relatief onbekende dame me naar zich toe trekt om gekust te worden en al helemaal wanneer een mij relatief onbekende man me trakteert op een zogenaamde bear hug.

Deze moderne directheid werd vroeger onbeschaafd genoemd. Men hield psychisch en fysiek een zekere afstand tot elkaar. Hoe moeten we dat normatief beoordelen?

Gezag
Om te beginnen hebben de informalisering en de directheid ons omgaan met elkaar versoepeld. We gaan gemakkelijker met elkaar om en hoeven ons niet achter statusposities te verschuilen. Gezag is nog steeds belangrijk, maar is niet met een bepaalde status in de samenleving verbonden, doch moet verdiend worden. Kort geformuleerd is de vroegere aristocratie verdreven door een meritocratie. Het gezag van een arts, advocaat, priester, dominee, leraar en hoogleraar is afhankelijk van de desbetreffende expertise en zit niet automatisch vast aan het beroep. Dat gezag kan ook verspeeld worden, wat in vroegere tijden, toen het professionele gezag hecht verbonden was met de status van het beroep, ondenkbaar was. Het gezag van een professor is niet meer verbonden met het beroep van hoogleraar maar hangt nu af van de kwaliteit van zijn wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs. Maar deze modernisering van de omgangsvormen heeft ook nadelen. Zo is het de vraag of het wel goed is dat mensen te dicht op elkaar leven, dat de psychische en lichamelijke afstand tussen mensen afneemt. Moderne mensen zijn sterk geïndividualiseerd en verschillen daardoor onderling enorm. Het is daarom sociologisch en psychologisch belangrijk dat zij niet te direct en informeel met elkaar omgaan, want juist door de onderlinge verschillen kunnen daaruit tijd en energie verspillende conflicten voortkomen. Om dat te vermijden zijn de institutionele verbanden, zoals het gezin, de kerk, de school, de vereniging, belangrijk.

Interneringskamp
Ik geef een wat extreem voorbeeld uit mijn vroege jeugd. Ik was tussen mijn 4de en 8ste levensjaar in een Japans interneringskamp op Midden-Java. Het kamp zelf was een totalitair instituut, opgezet door een totalitair, fascistisch regime. Binnen dat kamp, dat uitsluitend bevolkt werd door vrouwen en kinderen, waren de instituties van een civil society, een burgersamenleving afwezig. Gezin, familie, school, kerk, vereniging – ze waren er niet. Men leefde, bijna letterlijk naakt, dicht op elkaar. De omgangsvormen waren op het barbaarse af informeel. Onderlinge conflicten waren aan de orde van de dag. Voeg daar nog honger en dood aan toe en het beeld van een Hobbesiaanse hel doemt op.

Dit voorbeeld geeft aan dat wat we aanduiden met civil society niet zonder institutionele verbanden kan bestaan. Die zijn niet meer de autoritaire structuren van vóór 1960, maar mogen ook niet verdampen in de zogenaamde postmoderne, flexibele netwerken waarin we als geïsoleerde individuen direct en informeel met elkaar omgaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden