Column Sylvia Witteman

Sylvia Witteman vroeg zich af waarom ze eigenlijk leeft en zag het Licht bij de Bijbelkiosk

De dag was begonnen met neerslachtige gevoelens van zinloosheid die voor koffie niet wilden wijken, en voor drank was het nog veel te vroeg. De straat op dan maar.

Tegenover het Concertgebouw passeerde ik een kiosk die ik al honderden keren eerder had gezien zonder er aandacht aan te schenken: een minigebouwtje, twee bij drie meter, met in grote letters ‘God zoekt jou!’ op de gevel.

Ik parkeerde mijn fiets en keek naar binnen. Er stonden twee stoelen en een tafeltje, plus een waterkoker en een boekenkastje vol Bijbels in diverse talen. Er was niemand, zo te zien, maar God is sowieso doorgaans niet met het blote oog waarneembaar. Dus wie weet zat Hij gewoon lekker incognito op een van die stoelen te wachten tot Zijn theewater kookte.

Ik tikte eens op het raam, maar Hij gaf geen sjoege. Dat doen slapende katten in etalages trouwens ook nooit, dus Hij bevond zich in goed gezelschap.

Ik liep om het gebouwtje heen. Aan de zijkant hing een poster met de tekst : ‘Ik ben het Licht. Wie mij volgt zal nooit meer in het duister rondtasten’. Aan de achterkant hing nog een poster. Daar stond op: ‘Waar leef ik eigenlijk voor?’ Daar moest ik wel even over nadenken. Als je het Licht bent, heb je wel iets om voor te leven, dus hier was waarschijnlijk sprake van twee verschillende ik-personen. De ene ‘ik’ was God, besloot ik, en de andere ‘ik’ was, nou ja, ik. Ja, waar leefde ik eigenlijk voor? Dat was precies de vraag waarmee ik die ochtend zo somber was opgestaan.

Terwijl ik door de ramen tuurde stopte er naast mij een gemotoriseerde rolstoel, die zo overdadig was volgehangen met bontgekleurde kunstbloemen dat de berijder erin weg leek te zinken. Ze was een kleine, uitgemergelde en kromgetrokken vrouw van onbestemde leeftijd met een scheef vogelgezichtje. Nieuwsgierig keek ze me aan.

‘Werkt u hier?’, vroeg ik, en wees op de Bijbelkiosk. Ze lachte schor. ‘Ik zal wel wijzer wezen’, zei ze. ‘Maar je mag best even tegen me aanlullen, hoor.’ Ze stak een sigaret op en hield me het pakje voor. Ik schudde mijn hoofd. Ze had geen onderbenen, zag ik nu.

‘Nou, kom maar op met je sores’, sprak de vrouw, lustig paffend. Die sigaret rook lekker. Moest ik nou tegen een zwaar invalide vrouw gaan zeuren over de zin van het leven?

‘Ik heb eigenlijk geen sores. En eigenlijk rook ik niet.’ zei ik. ‘Maar mag ik toch een sigaret?’ Ik kreeg er een. Ik werd er een beetje duizelig van, zo op de vroege ochtend. Best prettig. Licht.

Ja, het ging wel weer.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.