Column Sylvia Witteman

Sylvia Witteman proeft van alle geneugten van de all-inclusivevakantie

Je kunt zeggen wat je wilt over all-inclusivevakanties in landen met discutabele mensenrechten, maar één ding is zeker: je kunt er doen waar je zin in hebt. 

In mijn geval is dat bijna niets. Heerlijk is het om toe te zien hoe ánderen een cursus duiken volgen, een brave kameel berijden (hij knijpt genoeglijk zijn ogen toe als hij door zijn baasje met een plantenspuit wordt besproeid), of gaan varen in een nodeloos knalgele boot.

Zelfs niets doen is hier trouwens niet eenvoudig: het resort is onmetelijk groot, en samengesteld uit eenvormige, zandkleurige bouwsels van een nogal spookachtige architectuur, afgewisseld met palmbomen, zwembaden en moeizaam aan de woestijn ontworstelde grasvelden. 

Voor ruimtelijk uitgedaagden als ik komt dat neer op een doolhof, waarin ik, op zoek naar mijn kamer (nummer 53.171) telkens strand in een woestijnvariant van de remise Lekstraat, waar de bezems en de emmers staan, en waar ik nu al een paar keer overwogen heb uitgestrekt in de brandende zon te gaan liggen sterven; ik zie mijn geblakerde skelet al voor me, als zo’n door gieren afgeknaagd koeienkarkas in Lucky Luke, maar dan met het nog steeds glanzend blauwe bandje van Rixos Resort om mijn eindelijk eens slanke pols.

Over slank gesproken: mijn (grote) gezelschap bestaat voornamelijk uit mensen die niet dikker willen worden dan ze toch al zijn. Omdat men hier dagelijks een miljoen kostelijke gerechten en ijsgekoelde cocktails voor ons uitstalt, wordt het leven er niet eenvoudiger op. Iedereen heeft zijn eigen methode om het aansluipend vet te bezweren. De een eet geen brood, de ander geen kaas of vlees, of geen zoetigheid, of gaat na elk uitheems hapje twee uur fitnessen. Er is er een die alleen ’s avonds eet, een ander alleen overdag. Een heel gedoe dus aan tafel, waarbij iedereen verlangend dan wel berispend naar elkaars borden loert, en vol afgunst naar die van de pubers, waarop drie maal daags bergen friet en kebab verrijzen op aardlagen van pizza, gevolgd door gletsjers van veelkleurig roomijs onder fonteinen van chocola.

‘Zit jij nou serieus een dádel te eten? Dat is pure suiker hoor!’, bijten we elkaar aan de grotemensentafel toe. Daarna bezwijken we toch weer voor allerlei lekkers, met een paar vaten drank erbij, want een mens leeft tenslotte maar één keer. Morgen, bij het ontbijt, begint de strijd opnieuw.

Vanochtend bleek iedereen buikgriep te hebben. Dát was een meevaller! ‘Jottem! De pondjes vliegen eraf!’, juichten we, eindelijk saamhorig, boven kopjes slappe thee.

Nee, vakantie kan toch echt best leuk zijn, als je een beetje mazzel hebt.