Sylvia Witteman ging naar de begrafenis van een schuwe, neurotische lapjespoes

Paloma was niet eens mijn eigen kat, en op een duif leek ze al helemáál niet. Ze was een schuw, neurotisch lapjespoesje met een schorre stem en discutabele toiletgewoontes geweest, en nu was ze dood. In plaats van kaarten kwam er een appje met de droeve tijding. Het ergste huilen hadden mijn vrienden al achter de rug, toen ik rond borreltijd hun zonnige tuin betrad voor de begrafenis. Ik had haar toch 19 jaar gekend.

Het lijkje lag er eleganter bij dan ooit tijdens haar schonkig leven. Ze was zó mager geworden dat haar oren eindelijk niet meer veel te klein waren voor haar kop. De bakvisjes des huizes hadden haar een tak duizendschoon tussen de voorpoten gefrommeld, en om het rechterpolsje, waar de dokter de verlossende injectie had toegediend, droeg ze een pleister. Een speciale kattenpleister, versierd met blauwe pootafdrukjes; dat er mensen bestaan die zoiets bedenken, is een grote troost.

Die pleister zat te strak, maar dat voelde ze niet meer. Terwijl het graf gegraven werd, kwam de nabestaande oude kater, mank, doof en dement, toch nog even hoopvol aan haar hoofd likken. Naast de groeve stond, in een pot, een klaproos klaar. (‘We shall not sleep/though poppies grow/in Flanders fields’). Halverwege brak de steel van de schep, want kitscherige symboliek is overal.

De grafrede was kort en het was er maar één. Paloma’s levenswandel was overzichtelijk geweest; ze had graag vis gegeten, ze had gepist op plaatsen waar dat niet hoorde, ze had een vierling gebaard in het bed waar haar bazen te slapen lagen, ze was oud en mottig geworden, en toen de vis haar niet meer smaakte was ze doodgegaan. De meeste mensen schoppen het trouwens niet veel verder.

Ze moest dat graf nu maar eens in. Het lijkje, van haar praalbed getild, bleef stijf in slapende-kattenhouding liggen, als gedragen door een onzichtbaar vliegend tapijt. Daar ging ze dan, zes kattenvoetjes diep. We gooiden handenvol aarde, niet op haar gezicht, niet op haar gezicht; maar uiteindelijk tóch. Klaproos erop, en klaar. We kregen wijn en chips (‘de mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken, de kinderen ook, dat staat geschreven’, dichtte Reve) en toen ging ik naar huis om te koken. Als er maar geen zand in haar oogjes kwam, hoopte ik op de fiets.

Toen ik de keuken inliep, keken mijn eigen katten me verwijtend aan. ‘Geef ’es wat lekkers, geef ’es wat lekkers’, zeurden ze. ‘Jullie etensbak is vol!’, wierp ik tegen. ‘Nee, geef nou wat lekkers, iets écht lekkers...’, zanikten ze.

‘Sterf’, zei ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.