opinieverhoging maximumstraf doodslag

Strafverhoging voor doodslag overtuigt niet

Er is steun voor het verhogen van de maximumstraf voor doodslag. Maar het is on­nodig, er is geen probleem, betogen Dino Bektesevic en Laura ter Steeg. 

Uit recent WODC-onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat rechters bij een veroordeling tot doodslag zelden de maximumstraf opleggen. Beeld null
Uit recent WODC-onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat rechters bij een veroordeling tot doodslag zelden de maximumstraf opleggen.

Vorige week dinsdag werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen om de maximale gevangenisstraf op doodslag te verhogen van 15 naar 25 jaar. Dit plan kan binnen de samenleving op brede steun rekenen: uit een opiniepeiling blijkt dat 89 procent van de ondervraagden de verhoging ziet zitten. Ook de topman van het Openbaar Ministerie, Gerrit van der Burg, toonde zich eerder al een voorstander. De argumenten voor de strafverhoging zijn echter niet overtuigend. Het is de vraag of het probleem dat men wil oplossen, wel bestaat.

Het belangrijkste argument voor de voorgenomen wijziging is dat het strafmaximum voor moord in 2006 is verhoogd van 20 naar 30 jaar en dat het gat tussen de maximale tijdelijke straf voor moord en doodslag, 15 jaar, te groot is geworden. Het strafmaximum op moord is echter ongewijzigd gebleven. Dat was en is de levenslange gevangenisstraf. De verhoging van de maximale tijdelijke straf voor moord was bovendien niet zozeer ingegeven door de wens om hoger te straffen, maar vooral bedoeld om het gat tussen 20 jaar en levenslang te verkleinen.

Het verschil tussen moord en doodslag is dat voor moord, anders dan voor doodslag, is vereist dat iemand met voorbedachte raad heeft gehandeld. Sinds 2012 neemt de Hoge Raad minder snel aan dat sprake is van voorbedachte raad. Duidelijker dan voorheen moet blijken dat iemand echt voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over zijn daad: hij mag niet in een opwelling hebben gehandeld. Dit betekent dat moord nu minder snel bewezen wordt en dat vaker sprake is van doodslag. In dat geval kunnen rechters ‘maar’ 15 jaar opleggen.

Maximale straf

Bij de voorgenomen wijziging plaatsen wij drie kanttekeningen. Ten eerste geldt dat 15 jaar in veel gevallen niet het strafmaximum is in doodslagzaken. Als iemand naast doodslag voor een ander strafbaar feit wordt veroordeeld, kan het strafmaximum oplopen tot 20 jaar. Zo levert een doodslag met een vuurwapen als strafmaximum minstens 19 jaar op. Dit was ook het strafmaximum in de zaak van Hümeyra S. De verdachte in deze zaak werd veroordeeld tot 14 jaar en tbs voor doodslag. Merkwaardig genoeg wordt deze zaak – nota bene mede door de rechtbank zelf – van stal gehaald om te beargumenteren dat er een strafverhoging moet komen, terwijl de rechtbank er in deze zaak juist niet voor koos om de maximumstraf op te leggen. 

Daarbij komt dat tussen doodslag en moord nog een strafbaar feit zit, de zogeheten gekwalificeerde doodslag. Voorbedachte raad is hiervoor geen vereiste. Het verschil met doodslag is dat iemand wordt gedood met het oogmerk om een ander misdrijf gemakkelijk, of mogelijk te maken, of om daarmee weg te komen. Te denken valt aan het doden van het slachtoffer van een woningoverval, opdat de buit ongestoord kan worden meegenomen. Op deze vormen van doodslag staat al levenslang of een gevangenisstraf van 30 jaar.

Wanneer we, ten tweede, over de gehele linie kijken, lijkt ook geen sprake te zijn van een probleem. Uit recent WODC-onderzoek van de Erasmus Universiteit (rapport Verhoging strafmaximum moord, 2019) blijkt dat rechters bij een veroordeling tot doodslag zelden de maximumstraf opleggen. Rechters lijken dus niet hoger te willen straffen dan zij op dit moment kunnen. Nu is het natuurlijk niet zo dat de wetgever pas in actie mag of moet komen als de rechter zijn hoofd steeds tegen het plafond stoot. Maar het argument dat het maximum omhoog moet omdat rechters worden beperkt bij het opleggen van straffen, gaat in elk geval niet op.

Tweederde van de straf

Een derde punt is dat de Tweede Kamer vorig jaar tegen alle adviezen in voor een wet stemde die de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een goed deel afschaft. Deze wet zorgt ervoor dat veroordeelden in de toekomst niet meer na tweederde van hun straf vrijkomen, maar maximaal twee jaar voor het einde van de straf. Iemand die nu 15 jaar krijgt opgelegd, komt nu in de regel na 10 jaar vrij; na de wetswijzing zal dat na 13 jaar zijn. Een verhoging van de maximumstraf op doodslag zal daarom mogelijk van twee kanten strafverzwarend werken.

Natuurlijk heeft de politiek als taak te luisteren naar de stem van het volk, maar zij moet daarin niet doorslaan. Niet elke roep vanuit de samenleving moet in wetgeving worden omgezet, hoe verleidelijk dat electoraal ook is. Zeker in het strafrecht bestaat voor de politiek een verantwoordelijkheid om soms uitleg te geven over waarom zaken zijn zoals ze zijn. Het zou niet verkeerd zijn als aan die verantwoordelijkheid wat meer aandacht wordt besteed.

Dino Bektesevic en Laura ter Steeg zijn advocaat bij Ficq & Partners in Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden