Column Joost Zaat

Sterven is minder goed te regisseren dan een tuchtcollege denkt

Huisarts Joost Zaat (64) houdt al bijna 35 jaar praktijk in een armere wijk in Purmerend. Daarover schrijft hij wekelijks een column in de Volkskrant.

De tuchtrechter rekende een huisarts onlangs aan dat ze de regie over het sterfbed verloren had. ­Ondanks grote betrokkenheid had ze de patiënt niet tegen zijn echt­genote kunnen beschermen. Die bleek niet te sturen, was boos en ­regelde pillen achter de rug van de dokter om. Omdat ze achteraf ontevreden was, diende ze een klacht in tegen de dokter. Dat de huisarts in 39 kantjes had opgeschreven wat ze bij alle visites en al het overleg had gedaan, bleek nadelig tijdens haar ­verdediging. Ze was er volgens de tuchtrechter te veel van uitgegaan dat het moeilijk zou worden bij deze ‘moeilijke’ mevrouw.

Ik begrijp helemaal niks van zo’n uitspraak. Het is de realiteit dat je als dokter soms tandenknarsend de regie verliest. De patiënt gaat op een nare manier dood, de achterblijvers blijven boos en de dokter zit met het gevoel tekortgeschoten te zijn. Daar heb je geen tuchtcollege voor nodig.

Met een groepje huisartsen bespraken we pas onze ‘laatste dode’. Minutieus probeerden we te achterhalen of het een beetje gelukt was, mensen zonder te veel morsigheid laten doodgaan. In alle verhalen was er wel iets waarover de dokter zelf niet tevreden was: een specialist die een patiënt in een hospice liet opnemen, zodat het beloofde sterfbed thuis niet meer mogelijk was. Een in het weekend gestarte sedatie terwijl er nog een vriend langs moest komen. Een te late opname in het hospice doordat het niet lukte de patiënt te laten inzien hoe ernstig de situatie was.

Terminale zorg is als simultaanschaken. Je moet iets doen aan de pijn van de patiënt én uitleggen aan de partner dat die ook eens moet rusten. Je moet wijkverpleging regelen én met de patiënt praten over wat het leven nog de moeite waard maakt. Je moet de zorg afstemmen met specialisten én op de bijwerkingen van pillen ­letten. Daarbij valt er weleens een schaakstuk om.

In de verhalen die we elkaar vertellen blijkt het afstemmen van onze zorg met die van het ziekenhuis en de huisartsenpost het grootste knelpunt. Het wordt gruwelijk ingewikkeld als de patiënt of de partner de dokter niet vertrouwt en ‘onverstandige’ dingen doet: te veel of te weinig medicatie geven, opnamen weigeren of juist ritselen zonder overleg. Het meest vrees ik familieruzies en wantrouwen tegen artsen. Die combinatie is een garantie voor ellende.

‘Wat schreef ik vroeger weinig op’, zeg ik aan het slot van onze bijeenkomst. Ik heb gekeken in de kast waarin we dossiers van overleden patiënten bewaren. In 1987 kriebelde ik over mijn (tweede) euthanasie, bij een oude dame met darmkanker, slechts enkele regels in het papieren dossier. Ik schreef tot slot: ‘Drankje met sterk slaapmiddel, na anderhalf uur overleden, man ­tevreden.’ Ik weet het nog precies. Mijn zorg is nu niet beter omdat ik meer opschrijf of een betere regisseur ben, maar omdat ik meer weet. Maar mislukte regie? Dat overkomt elke dokter af en toe.

Sterven is minder goed te regis­seren dan een tuchtcollege denkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden