Essay Werkdruk

Steeds meer klachten over verhoogde werkdruk, maar niemand gaat de straat meer op

TNO rapporteerde onlangs dat bijna de helft van de werknemers het gevoel heeft dat er vaak of altijd hoge eisen aan hen worden gesteld op de werkvloer. Beeld Sjoerd van Leeuwen

Op 1 mei gaan we niet meer de straat op, terwijl onderlinge solidariteit zou helpen de door rating & ranking verhoogde werkdruk een halt toe te roepen: die competitie is niet te winnen, en levert vooral stress op en minder werkplezier.

Honderd jaar na dato lijkt het niet meer dan een pyrrusoverwinning: de acht­urige werkdag die Nederland in 1919 invoerde, na tientallen jaren van harde klassenstrijd. 1 mei, de Dag van de Arbeid, is daarvan niet veel meer dan een vaal symbool. Want in 2019 blijkt die achturige werkdag nauwelijks garant te staan voor een comfortabel, stressloos werkend leven. TNO rapporteerde onlangs dat een op de zes werkne­mers burn-outklachten ervaart en bijna de helft het gevoel heeft dat er vaak of altijd hoge eisen aan hen worden gesteld op de werkvloer.

Maar de straat gaat niemand meer op. Sterker nog, het is niet eens duidelijk tegen wie gedemonstreerd zou moeten worden. Misschien wel tegen onszelf. Kapitalistische slavendrijvers zijn immers niet meer nodig om werknemers tot hogere productiviteit aan te sporen. Prestatiedruk is tegenwoordig grotendeels geïnternaliseerd. Enerzijds door een nieuwe, postindustriële werkethiek die bestaat uit een explosieve cocktail van meritocratische en neoliberale waarden: permanent het beste uit jezelf willen halen en onderlinge competitie zien als de beste methode om dat te bereiken. Anderzijds door nieuwe informatietechnologie die heeft geleid tot een breed scala aan digitale instrumenten om arbeidsprestaties te meten en evalueren.

Waar arbeidsprestaties in het verleden sporadisch, discreet en globaal werden gemeten, doen we dat nu permanent, gedetailleerd, ongefilterd en en plein public: we meten, scoren en vergelijken onze prestaties met die van onze collega’s en maken de resultaten zichtbaar in bijvoorbeeld review-, rating- en rankingsystemen. Denk maar aan taxichauffeurs, kappers of obers die zich een slechte dag nauwelijks meer kunnen veroorloven omdat zij dan slechte beoordelingen krijgen op Tripadvisor, Trustpilot of Google Reviews en daardoor toekomstige klandizie mislopen; journalisten die eenvoudig kunnen bijhouden hoe vaak hun eigen artikelen en die van hun collega’s worden aangeklikt; academici die elkaar de loef afsteken met steeds ­hogere citatiescores en impactfactoren (een maatstaf voor het prestige van een academisch tijdschrift) en daarmee hun carrièrekansen proberen veilig te stellen; de league tables in de advocatuur, de bankenwereld, of de consultancy die in één oogopslag duidelijk maken wie in die werelden de dienst uitmaakt; medisch personeel dat aan de schandpaal wordt genageld door ontevreden patiënten op websites als Zorgkaartnederland, die ­bedoeld zijn om die patiënten meer zeggenschap te bieden.

Misstap en triomf

We moeten dus permanent presteren, want iedere misstap wordt onmiddellijk zichtbaar gemaakt, in de eerste plaats aan onszelf, en iedere triomf verdient het om onmiddellijk via Twitter of Facebook gedeeld te worden. Kunstenaars, wetenschappers en journalisten besteden steeds meer tijd aan zelfpromotie; restaurants, uitgevers en universiteiten schermen met uitzinnig goede reviews of hoge noteringen in de rankings; werkgevers zetten via digitale nieuwsbrieven hun werknemers in het zonnetje als ze een bijzondere prestatie hebben geleverd. Dat is natuurlijk allemaal goedbedoeld, maar het onbedoelde neveneffect is dat collega’s even moeten slikken, en vervolgens nóg een tandje bijzetten om die bijzondere prestaties minimaal te evenaren. Je moet wel heel sterk in je schoenen staan om niet onrustig te worden van deze promotiemachine en ongevoelig te blijven voor prestatiedruk.

Want, natuurlijk: het kan geweldig voelen om het beste uit jezelf te halen en vervolgens ook nog eens door je werk­gever met persoonlijke complimenten, door collega’s met retweets, of op sociale media met anonieme likes overladen te worden. En, jazeker, als consument of opdrachtgever is het alleen maar fijn als je huisarts, taxichauffeur of docent vriendelijk tegen je doet en het onderste uit de kan haalt om je ter wille te zijn.

Maar de keerzijde is de ervaring van hogere werkdruk, die niet leidt tot tevredenheid maar in tegendeel tot het gevoel permanent tekort te schieten. Want de competitie die we van het werkend leven aan het maken zijn, kan per definitie niet gewonnen worden. In haar huidige vorm heeft deze competitie slechts één karakteristiek: nóg harder, hoger, beter.

Bovendien sluipt al snel een oneerlijke dynamiek in deze competitie: ze krijgt het karakter van een selffullfilling prophecy, waarbij degenen die het eerst en het vaakst in het zonnetje worden gezet, vanzelf ook beter gaan presteren, want ze krijgen de beschikking over de beste middelen en een flinke duw in de rug. Een ander probleem is dat deze competitie perverse prikkels kent: degenen die boven aan de rankings staan, de hoogste ratings scoren, de meeste retweets hebben, of het vaakst in de nieuwbrieven staan, zijn niet per se de besten in hun vakgebied.

Strategisch gedrag

Hoe hoger de druk om te presteren, hoe meer strategisch gedrag wordt uitgelokt: docenten die studenten paaien om betere onderwijsevaluaties te scoren, journalisten die aan de haal gaan met populaire thema’s en minder sexy maar niet minder belangrijke onderwerpen aan hun collega’s overlaten, chirurgen die met een boogje om probleemgevallen heenlopen omdat die hun ‘report cards’ negatief beïnvloeden, zoals in het Verenigd Koninkrijk gebeurde toen de National Health Service prestaties in de medische wereld enkele jaren geleden transparant wilde maken. Laten we dus niet vergeten dat rankings, reviews, ratings, aantallen tweets of likes een discutabele maatstaf vormen voor kwaliteit.

Internalisering van prestatiedruk lijkt bovendien hand in hand te gaan met externalisering van solidariteit. We zijn zo hard bezig met presteren en concurreren tegen elkaar, dat het lastiger wordt om samen te werken en collectieve actie te organiseren. Dat is tragisch, want juist om verandering teweeg te brengen en de ervaring van werkdruk aan te pakken, is samenwerking nodig. Wie als enige stopt met zelfpromotie, zal moeten aanzien hoe snel anderen hem voorbijstreven. Maar als we het zo weten te organiseren dat we gezamenlijk rustiger aandoen op de werkvloer, dan kan dat leiden tot lagere werkdruk en hoger werkplezier.

Het zou naïef zijn om te denken dat een postindustriële arbeidsethiek die zich in de loop der decennia heeft gevormd en waaraan dieperliggende maatschappelijke structuren ten grondslag liggen, van de ene op de andere dag kan worden veranderd. Maar tegelijkertijd is het te defaitistisch om te denken dat aan deze ethiek op geen enkele manier te sleutelen valt. Een eerste stap is bewustwording van het feit dat prestatiedruk is geïnternaliseerd op een manier die stressvol en weinig duurzaam is. We kunnen besluiten om minder aandacht te ­besteden aan publieke evaluatiesystemen en bepaalde beroepen zoals die van medici af te schermen van al te brute reviews en ratings. We kunnen op de werkvloer afspreken om wat minder vaak nieuwsbrieven rond te sturen als die tot gevolg hebben dat zij werknemers tegen elkaar opjutten. Met competitie is niets mis, maar zij moet wel op een menselijke manier worden georganiseerd.

Olav Velthuis is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en oud-redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.