Editorial Chris Buur

So long, Sir Edmund, rare kwast

Dit is de laatste Sir Edmund. En aangezien we de inhoud van het blad vanaf volgende week gewoon vrolijk voortzetten in een anders ingedeelde zaterdagkrant, betekent het vooral dat dit de laatste kans is om nog even een raar verhaal te vertellen. Over die naam.

Precies vijf jaar en één dag geleden verscheen de eerste Edmund, en ergens in de laatste maanden van het jaar daarvoor kwam bij artdirector Lucas van Esch de naam van het tijdschrift opborrelen. We zochten naar iets dat het blad niet te klinisch of cebrebraal zou maken, en het een beetje persoonlijkheid zou geven. Een hommage aan een bestaand persoon, wellicht. Maar wie was nou een onbesproken held? Sir Edmund Hillary, de brave Nieuw-Zeelandse bergbeklimmer, ontdekkingsreiziger, filantroop en de man achter de tegel ‘Het is niet de berg die we overwinnen, maar onszelf’ leek een passende kandidaat, al is er altijd wat discussie geweest of hij sherpa Tenzing Norgay niet onbedoeld in de schaduw had gesteld als eerste persoon op de Everest. 

Het werd een geval van de-werktitel-die-het-tot-de-echte-naam-schopte – we bleken intern prima te kunnen uitleggen waarom Sir Edmund bij dit blad paste. Misschien wat te goed. Maar voor wie Hillary te braaf was, was er altijd nog Sir Edmund Blackadder, uit de gelijknamige BBC-comedy, hij van de beste beledigingen uit de televisiegeschiedenis (‘Je bent de minst overtuigende drag queen sinds Tarzan een graai deed in Jane’s handtas en haar lippenstift opat’). En voor wie Sir Edmund wat te aanstellerig vond, was er de wetenschap dat tenminste eminent auteur Stanley Johnson, vader van Boris, en wereldberoemd sopraan Kiri te Kanawa (die beiden ooit optraden in de rubriek Onze gids deze week), het een geniale naam voor een blad vonden.

Lucas’ brainwave greep plaats in Parijs, op het plein voor Centre Pompidou – ik was daar ook.

Vijf jaar later was ik opnieuw in Parijs. Ik had net gehoord dat we vanwege stijgende papier- en distributiekosten de inhoud van de Edmund zouden moeten herverdelen over de krant. Achter een biertje in café Le Voltigeur (aanrader!) viel mijn oog op een louter decoratief bedoeld boekenplankje met tweedehands-meuk. Recht voor mijn neus stond een boek over Sir Edmund. Maar wel een andere: Sir Edmund Backhouse, The Hermit of Peking. 

Backhouse was een fascinerende figuur, zo bleek. Afkomstig uit een Britse Quaker-familie, uit de lagere adel, en een gerespecteerd sinoloog, die een invloedrijk werk had geschreven over de laatste decennia van de Qing-dynastie. Hij had zich voorgoed in Beijing gevestigd, bijkans kluizenaar.

Althans, dat was het beeld van Sir Edmund, totdat biograaf Hugh Trevor-Roper The Hermit of Peking (1976) schreef. Trevor-Roper schetst een fantast en een oplichter, die veinsde innige contacten met het Chinese hof te onderhouden en die dat verhaal inzette om zich voor veel geld te laten inhuren door bedrijven en de Britse overheid. En achter de nevelen van zijn zogenaamd stille bestaan was Backhouse, spreek uit ‘Back’us’ (Bacchus!) een flamboyante homoseksueel die, onafscheidelijk van zijn kostbare zwaar-zijden peignoir, beweerde affaires te hebben gehad met Oscar Wilde, Paul Verlaine en (bij wijze van bijzonder heteroseksueel uitstapje) Qing-keizerin Cixi. Waar of niet (waarschijnlijk niet), taalgevoel had Sir Edmund beslist – hij sprak Russisch, Japans en Chinees, en liet schitterend geschreven, pas in 2011 gepubliceerde memoires na die je op een half gefabuleerde, meeslepende, wervelende tocht meenemen door het Beijing van begin 20ste eeuw. Meteen in het eerste hoofdstuk van Manchu Decadence zit je midden in een mannenbordeel, met alle expliciete scènes van dien. Op zijn minst een, uhm, opmerkelijk inkijkje in een Chinese subcultuur dat je niet snel elders krijgt.

Niettemin is de biografie een vrij vernietigende afrekening met Sir Edmund – tegen het einde van diens leven begon die ook een hardnekkige sympathie voor de As-mogendheden te ontwikkelen, beweert Trevor-Roper. 

Klopt het beeld dat de biograaf schetst? Als je Manchu decadence leest kun je je niet aan de indruk onttrekken dat Trevor-Roper zich destijds bij het lezen wat te hard in zijn thee heeft verslikt; de memoires die hij begin jaren ’70 terzijde schuift als ‘obsceen’,  zijn in huidige ogen op z’n hoogst scabreus. En dat een homoseksueel in de jaren ’20 al zo openlijk over zijn escapades schrijft heeft op zijn minst iets ontroerends, dat nog nadere studie zou verdienen. Veel leuker figuur ook, deze Sir Edmund, dan die onuitstaanbare braverik met zijn pikhouweel.

Maar wat ik vooral zo aardig vond aan Sir Edmund Backhouse is dat ik me voor even helemaal in zijn verhaal verloor. En dat geheel ongevraagd, doordat hij zich vriendelijk aan me opdrong in een shabby cafeetje. 

En dat valt dan weer mooi samen met de opzet van Sir Edmund, het blad. Namelijk: goeie stukken en mooie verhalen presenteren waar de lezer niet noodzakelijkerwijs altijd naar op zoek was. Door alfa en bèta in één katern te verenigen, raken lezers die wat meer naar exacte wetenschap neigen ineens begeesterd door een goeie schrijver, en de strikte literatuurliefhebbers merken dat ze zijn blijven hangen in een spannend stuk over de snaartheorie, hopen we. Erop rekenend dat de meeste lezers sowieso een belangstelling hebben die alfa en bèta omspant.

En precies dat gaan we ook doen in het katern dat de Eddie vanaf volgende week vervangt. Geheel over de andere boeg gaat dat, lekker direct, ‘Boeken en Wetenschap’ heten, naar de twee redacties die het zo uitstekend met elkaar kunnen vinden. En zo kunnen we met een gerust hart zeggen: so long, Sir Edmund, rare kwast – wie je ook bent geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.