OPINIE

'SCP te alarmistisch over Oost-Europese kinderen'

Als het SCP ook had gekeken naar Nederlandse kinderen had het niet zo bezorgd hoeven zijn over Oost-Europese kinderen, meent Mark van Ostaijen.

Poolse kinderen op een basisschool in Rotterdam.Beeld Marcel van den Bergh

Vorige week publiceerde het SCP de studie Poolse, Bulgaarse en Roemeense kinderen in Nederland naar de leefsituatie van kinderen van Midden- en Oost- Europeanen. Op grond daarvan stelde de Volkskrant dat Poolse migrantenkinderen dreigen te ontsporen (Voorpagina, 23 september). Na enige collegiale verwondering voel ik me genoodzaakt de niet te negeren onvolledige beelden, gebrekkige onderzoeksopzet en alarmistische toon van de SCP-studie te bekritiseren. Ik zal één en ander toelichten vanuit het promotieonderzoek dat ik verricht naar de lokale gevolgen van Midden- en Oost-Europese migratie.

Laat ik beginnen met te stellen dat het belangrijk is dat dit onderzoek plaatsvindt vanwege de vele onbekendheden in dit domein. Het SCP heeft daaraan een waardevolle bijdrage geleverd. Maar het heeft ook enkele belangrijke steken laten vallen.

Ten eerste maakt het onderzoek geen enkel onderscheid in het type migranten en hun kinderen. Het beeld van de agrarische, tijdelijk werkende en pendelende migrant is leidend, terwijl ik in mijn onderzoek sterk gevarieerde migratietypen tegenkom. Door dit eenzijdige beeld lijkt bijvoorbeeld de situatie van kinderen van Poolse expats, Roemeense tandartsen of Bulgaarse studenten sterk onderbelicht.

Grotere steden

Daarnaast maakt het onderzoek nauwelijks een ruimtelijk onderscheid. Een enkele keer worden resultaten toegeschreven aan 'de grotere steden' of de wat meer 'landelijke gebieden', maar juist dit onderscheid is van groot belang in het specificeren van de resultaten.

Het voorname onderscheid dat wél wordt gemaakt is etnisch-nationaal. Dat is ongetwijfeld van belang, maar levert een eenzijdig beeld op. Ook wordt nergens toegelicht waarom het onderzoek louter is gericht op Poolse, Roemeense en Bulgaarse migranten. Zo blijkt uit mijn eigen onderzoek dat de Hongaarse migranten de derde grootste groep Midden- en Oost-Europese migranten in Nederland is.

Ten tweede is de onderzoeksopzet gebrekkig. Er is slechts gesproken met zorg- en hulpverleningsprofessionals, experts die een dagtaak hebben aan kinderen in problematische situaties. Nogal wiedes dat zij 'problemen' ervaren, dat is hun werk. Deze bias zorgt voor een uitvergroting van de resultaten.

Daarbij zal ik de laatste zijn om kwantitatief onderzoek te laten prevaleren boven kwalitatief onderzoek, maar de kwalitatieve opzet strookt niet met conclusies in de sfeer van 'grotere problemen' en 'meer achterstanden'.

Nationale focus

Verder kent het onderzoek een nogal eng gehanteerde nationale focus. Zo wordt alleen de positie van Midden- en Oost-Europese kinderen in Nederland geproblematiseerd, terwijl vanuit humaan en gezinsoogpunt de problemen van de in Polen, Bulgarije of Roemenië achtergebleven kinderen vele malen urgenter zijn. Niet in de laatste plaats ook voor het functioneren van hun ouders in Nederland.

Ten slotte, en dat is misschien nog wel het opvallendste element, wordt het rapport gekenmerkt door een ongepast alarmistische toon. Wellicht dat dit voortkomt uit het thema, want kinderwelzijn kan nooit voldoende worden gewaarborgd. Maar deze waarborgzorg kan ook doorschieten.

Nergens worden de bevindingen gerelativeerd door ze te vergelijken met die over Nederlandse kinderen. Die vergelijking zou namelijk leren dat bepaalde resultaten niet zo bijzonder zijn als wordt gepresenteerd. Zo blijkt uit onderzoek van het Verweij-Jonker Instituut dat ook onder Nederlandse jongeren een stabiele aanwezigheid is van jeugdcriminaliteit (tot 5,5 procent), kindermishandeling (tot 4,5 procent) en een relatief omvangrijk aandeel 'achterstandsleerlingen' (17-27 procent). Zonder iets te willen vergoelijken, zou deze vergelijking een gepaste relativering in die alarmistische toon brengen.

Illustratief

De titel van de paragraaf 'de problemen zijn (nog) niet groot, maar kunnen verergeren' is illustratief. Daarin wordt een Limburgse schooldirecteur aangehaald die zich zorgen zegt te maken over 10 procent van zijn Poolse leerlingen, waarbij één vijfde van zijn leerlingen Pools is. Voor de snelle rekenaar gaat het hier om 2 procent van zijn leerlingen, waarbij de directeur zich zorgen maakt over de psychische gesteldheid (introvert gedrag) en kwajongensgedrag (kattenkwaad). Niets menselijks is de Limburgs-Poolse jeugd hier vreemd.

Op andere plaatsen in het rapport wordt melding gemaakt van schoolverzuim, overgewicht, probleemgedrag bij jongeren en ja, zelfs het hebben van een slecht gebit. Deze 'problemen' lijken vooral het beeld te bevestigen dat deze kinderen zich voor- beeldig aanpassen aan de Nederlandse norm, en dus ook aan haar devianties. Ook Nederlandse kinderen vertonen probleemgedrag, schoolverzuim, overgewicht en ook zij kunnen rondlopen met een slecht gebit. Maar er is vooralsnog geen enkele reden deze devianties bij Nederlandse kinderen toe te schrijven aan hun etnisch-nationale achtergrond, zoals het SCP wel doet bij Poolse kinderen.

Poolse migrantenkinderen worden opgehaald om naar school te gaan.Beeld Marcel van den Bergh

Deze disproportioneel alarmistische toon komt ongetwijfeld hieruit voort dat men het goed voor heeft met deze 'migrantenkinderen'. Zo wordt melding gemaakt van 'een verloren generatie' en zo gaf hoogleraar Trees Pels (VU) in reactie op het onderzoek al aan dat 'we moeten leren uit de lessen van het verleden'. Zoals een gemeentelijke beleidsmedewerker in het rapport stelt: 'maar die kinderen, als je het hebt over de blijvers, dat is natuurlijk wel de groep die gaat bepalen of die generatie wel of niet tot die problemen leidt die wij nu allemaal vrezen'. Vanuit dergelijke mantra's pleit Pels ook voor 'tijdig ingrijpen'.

Al deze goede bedoelingen om er bovenop te zitten getuigen van een vroeg-activistische en interveniërende houding die de overheid in andere gebieden van de kind- en jeugdzorg ook al stevig laat zien. In plaats van dat men zich afvraagt of dit wel behoort tot het domein van de overheid, lijkt er een duidelijke handelingsverwachting ten aanzien van de overheid te bestaan.

Het is evident dat deze SCP-studie de overheid helpt om in dezelfde krachtdadige houding te schieten. De ironie wil dat dit vraagstuk daarmee langzaam verandert van een migratie- in een integratievraagstuk. Zo bezien is het SCP-rapport pure winst.

Mark van Ostaijenis is promovendus bij bestuurskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet onderzoek naar de lokale gevolgen van Midden- en Oost-Europese migratie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden