Opinie Taalonderwijs

Schuif de Nederlandse taal niet zomaar terzijde

Als we meer geschoolde neerlandici willen, moeten bestuurders hun houding jegens onze taal wijzigen, betoogt hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis Lotte Jensen.

Tweedejaars studenten Nederlands aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Beeld Freek van den Bergh / de Volkskrant

De laatste dagen verschijnen alarmerende berichten over de terugloop van het aantal studenten Nederlands aan de universiteiten. De zorgen zijn terecht, want als de daling doorzet, dreigt het Nederlands in de sectie kleine vreemde talen te belanden. Dat mogen we om verschillende redenen niet laten gebeuren.

Niet alleen hebben we academisch geschoolde (eerstegraads) neerlandici nodig op middelbare scholen en in andere sectoren, ook hebben we specialisten nodig die onderzoek blijven doen naar Nederlands cultureel erfgoed. Johan Koppenol, hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, merkt terecht op dat diepgaande kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis meer nodig is dan ooit: alle grote maatschappelijke discussies gaan immers over onze taal en cultuur – van het Wilhelmus tot debatten over immigratie en integratie.

Docenten van middelbare scholen en universiteiten doen er dan ook alles aan om het tij ten goede te keren, omdat we ons mooie en belangrijke vak graag op toekomstige generaties willen blijven overbrengen. Maar één ding hebben we niet zelf in de hand, en dat is de houding van sommige bestuurders jegens het Nederlands. Wanneer zij uitstralen dat het Nederlands een tweederangs taal is op universiteiten, wat moeten toekomstige studenten dan wel niet denken?

Misplaatste beeldvorming

We hebben allemaal kunnen zien hoe het Nederlands in rap tempo aan status ingeboet heeft in het academische onderwijs: 74 procent van de masteropleidingen is al in het Engels en het aantal Engelstalige bacheloropleidingen groeit ook snel. Steeds vaker snoepen de Engelstalige tracks studenten weg bij de Nederlandstalige varianten, omdat toekomstige studenten het idee hebben dat een Engelstalige opleiding meer status heeft. Dat heeft ook negatieve gevolgen voor het imago van het vak Nederlands op school: scholieren krijgen de boodschap mee dat ze beter kunnen investeren in hun Engelse taalvaardigheid, wanneer ze een vervolgopleiding willen doen.

Aan die misplaatste beeldvorming dragen bestuurders actief bij wanneer ze het belang van het Nederlands als een bijzaak beschouwen. De onlangs uitgebrachte internationaliseringsagenda van de Vereniging voor Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) is daarvan een stuitend voorbeeld. Talloze pagina’s zijn ingeruimd om het belang van internationalisering (lees: het overgaan op Engelstalig onderwijs) te onderstrepen, terwijl het Nederlands in een tweederangspositie wordt gemanoeuvreerd.

Het rapport volstaat met de constatering dat er op landelijk niveau ‘voldoende’ aanbod van Nederlandstalige bacheloropleidingen moet blijven bestaan, maar nergens wordt uitgelegd wat ‘voldoende’ is. Over het belang van het behoud van Nederlandstalige masteropleidingen wordt al helemaal niets gezegd.

Mogen we aan het Nederlands voorbijgaan?

Eenzelfde houding komen we tegen in de internationaliseringsbrief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ingrid van Engelshoven. Ze pleit voor meer internationalisering en wil de wet verruimen om (nog) meer ruimte te bieden aan Engelstalig onderwijs. Pas aan het slot van haar brief lezen we over het belang van het Nederlands: ‘Ook aan de waarde van het Nederlands als cultuur- en wetenschapstaal mag niet te lichtzinnig voorbij worden gegaan.’ Over deze zin hebben verschillende neerlandici zich intussen het hoofd gebroken. Staat daar niet eigenlijk dat we aan het Nederlands voorbij mogen gaan, mits dat niet te lichtzinnig gebeurt?

Ik was dan ook aangenaam verrast dat uitgerekend minister van Engelshoven haar toespraak bij de opening van het academische jaar in Tilburg in het Nederlands hield. Ze deed dat bewust voor een betere balans in de talen, zei ze. Tegelijkertijd had die taalkeuze een hoog Efteling-gehalte, want de verdere ceremonie was geheel in het Engels. Ook collegevoorzitter Koen Becking sprak in het Engels en gaf daarbij de volgende uitleg: ‘I’m doing my speech in English, because that is what we do when there are people among us who do not speak Dutch.’ Behalve dat die opmerking niet erg beleefd was richting de minister, was die ook illustratief voor het gemak waarmee sommigen het Nederlands terzijde schuiven.

We willen ontzettend graag nieuwe studenten Nederlands trekken, maar het is dan wel van belang dat bestuurders over de gehele linie laten zien dat ze deze taal serieus nemen.

Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.