Column Nico Dijkshoorn

Schrijver Johnny van Doorn zag als jongetje wat ik pas zie nu ik bijna 60 ben

Ik stond in Frankrijk samen met negen andere mensen te wachten tot het donker werd. We keken naar een weiland. Om half elf liep er een man langs een sloot. Hij bukte. We zagen een vlammetje en daarna begon het vuurwerk. Het was niet spectaculair. Soms ontplofte er iets, daarna volgde er een lange stilte en dan opeens: pang.

Zoals het hoort, volgde er na tien minuten lusteloos knallen een apotheose. De intensiteit nam toe, de knallen zaten steeds dichter op elkaar, heel even stilte en daarna keken we naar de finale: vier vuurpijlen die kort na elkaar het weiland verlieten en daarna in een flits ons, de tien eenzame zielen op aarde, verlichtten. Wij deden wat mensen dan automatisch doen: we zeiden ‘ohhhh!’

Meteen moest ik aan de schrijver Johnny van Doorn denken, die als 15-jarige op familiefeestjes zijn vuurwerkgedicht voordroeg. Johnny stond midden in de kamer, de familie eromheen en daarna volgde de eruptie. ‘Grrrrppfftt!! Boem, boem waaahhhhhhh! Rrrrrrrrtttttt. Rrrrrrrrrtttttt. Frrttt. Frrrtt. Wjooee!’ Razendsnel schoten er vuurpijlen uit zijn mond, Johnny liet achter in zijn mond donderslagen ontploffen, duizendklappers ratelden langs zijn tong en toen opeens, net als in Frankrijk, een langgerekt ‘ohhhhhh, ohhhhhh’.

Ik vind het misschien wel een van de mooiste gedichten die ik ooit heb gehoord. Dat woeste geschreeuw, ademloos gepiep, een omvallende stoel, dertig mondontploffingen en dan opeens, teder bijna: ‘Ohhhhh.’

Na het vuurwerk in Frankrijk liep ik naar mijn vakantiehuisje en dacht na. Waarom raakte dat gedicht van Johnny mij toch zo? Waarom was het zo veel meer dan een geluidsexperiment? Het antwoord kwam pas vele jaren later. Vanochtend snapte ik het opeens. Johnny was 15 jaar toen hij het gedicht voordroeg en toch begreep hij De Mens.

Johnny van Doorn zag als jongetje wat ik pas zie nu ik bijna 60 ben: hoe de mensen elkaar in het donker opzoeken en hoe ze elkaar daarna troosten. Hoe de mensen pas in het schemer, als de tranen niet zichtbaar zijn, ooohhhhh durven te zeggen. Johnny van Doorn zag niet het vuurwerk als hij met zijn ouders langs het weiland stond, maar hij hoorde de bevrijding. Hij hoorde hoe de mens overdag gevangen zit in willekeur en banaal gerommel en dan eindelijk, één keer per jaar, in het donker, hand in hand, tussen wildvreemde mensen hardop ohhhhh durft te zeggen.

Johnny van Doorn is daar een leven lang over blijven schrijven. Steeds als ik zijn naam noem, zeggen mensen: ach ja, Johnny the Selfkicker. Zo kennen ze Johnny: als de wild tierende dichter. Als de performer die in Carré net zo lang ‘Kom toch eens klaar klootzak’ bleef schreeuwen tot ze hem van het podium sleurden.

Over die Johnny heb ik het nu niet. Ik vind al bijna dertig jaar troost in zijn proza. In ieder verhaal doet Johnny nog eens dunnetjes over wat hij als 15-jarige al deed: hij ziet de onbeholpen mens, hij ziet de onbezorgde jeugd, hij ziet de dromen van de wachtende voor hem in de nachtwinkel. Hij ziet hoe ze op het laatste moment niet alleen een fles rode wijn kopen, maar ook een bakje pinda’s. Ja, verdomme, het wordt ondanks alles een prachtavond.

Ik lees wekelijks een verhaal van Johnny van Doorn om te zien hoe dat nu eigenlijk moet: leven en kijken tegelijk. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden