column Herien Wensink

Schreeuwen op toneel is nodig, zoveel maakt de moedige speech van theatermaker Laura van Dolron duidelijk

Vorige week sprak Laura van Dolron de Staat van het Theater uit, de ‘State of the Union’ van het Nederlandse toneel. En het was de moedigste, interessantste en relevantste ‘Staat’ die ik ooit heb gehoord.

Op het eerste gezicht hield Van Dolron (43) op de van haar bekende onnadrukkelijke wijze een vrij particulier verhaal over haar eigen onzekerheden. Ze bekende dat ze, toen ze werd gevraagd om de Staat uit te spreken, even dacht: ‘Hadden ze me tien jaar geleden maar gevraagd, toen was ik nog een beetje een lekker wijf.’

Stel je voor: normaal staan daar de grootste vaderlandse cultuurbobo’s, Van Hove, Van den Ende, Bas Heijne, meerdere ministers van cultuur. En die bobo’s spreken dan over Zaken van Belang, zoals bezoekersaantallen en de basisinfrastructuur. Ze preken over Het Theater en De Wereld en De Politiek. Laura van Dolron niet. Die vertelde dat ze altijd een beetje in haar broek plast als ze schreeuwt op toneel. Dat heb je als je twee kinderen hebt gekregen. (Op dit moment krimpen de mannen in de zaal ineen, terwijl de vrouwen opveren.)

Wat is belangrijk? Van Dolron zei: ‘De Staat op zich is niet belangrijk. Het kan belangrijk worden door wat we zeggen.’ Vervolgens zoomde ze via haar dochters uit tot een bevlogen verhaal over vrouw-zijn, schoonheidsidealen, schaamte en het belang van rolmodellen. Ze besloot op dat podium af te rekenen met dingen waar ze zich voor schaamt, waarvoor ze geleerd heeft zich te schamen. Ik moest eraan denken toen een collega vertelde dat mannen altijd schrikken als ze haar kolfflesjes staat om te spoelen in onze ‘pantry’. Alsof ze niet een plastic flesje maar de placenta onder de kraan houdt.

Ook ik moest even wennen aan Van Dolrons verhaal, maar ik besefte al snel: als wij een speech over kunstbeleid belangrijker vinden dan een moeder die over haar kinderen praat; als we een flesje moedermelk onder de kraan op kantoor vies vinden of eng, dan is er iets mis.

En dat soft of cliché noemen, lieve lezer, is cynisch.

Maar, vraagt u zich nu terecht af, wat heeft dit allemaal met theater te maken? Niets. En alles.

Op het Amsterdam Fringe Festival zag ik een schokkende danssolo van Tabitha Cholet, Libération. Noem het een #MeToo-solo: een vorm van duiveluitdrijving, een uitputtingsslag. In één heftige, repetitieve beweging met minimale variaties tracht Cholet op toneel haar lichaam te bevrijden van de herinnering aan een aanranding. Want, zegt ze tegen een anonieme ‘you’: ‘My body wasn’t mine anymore after you grabbed it.’ En ze zegt ook: ‘Maybe I am responsible. Maybe this is my fault.’

‘Doe iets wat jij moet doen’, zei Laura van Dolron tegen de theatermakers in de zaal, ‘iets wat je niet durft te zeggen en dan blijkt dat dat gewoon kan. Om jezelf te leren kennen. Om je te laten kennen.’ Cholet doet dat. En Van Dolron deed dat.

Ze zei: ‘Ik voel de druppels plas langs mijn been, maar als het nodig is, schreeuw ik toch.’ 

Het is nodig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden