Column Sylvia Witteman

Schouders verbranden en verdwalen op het strand – net als vroeger

Het blééf maar mooi weer, en het was bovendien zaterdag. ‘Laten we gaan zwemmen’, zei ik tegen huisgenoot P. Maar elk zwemwater in Amsterdam bleek bezeten door demonen, in de vorm van iets dat ‘blauwalg’ heet. Eenden gaan er dood aan, en we zijn wel geen eenden, maar je weet het nooit.

‘We kunnen naar het strand gaan. Bij Bloemendaal...’, zei ik aarzelend. Als kind kwam ik daar vaak, ’s ochtends vroeg, met mijn vader, die zijn dagelijkse kater bestreed met een korte onderdompeling in de Noordzee. Langer dan tien minuten duurde het nooit, wat nét mooi is voor een uitstapje. Ook met mijn moeder, broertje en zusje kwam ik er wel. Dan duurde het veel langer, er kwamen verbrande schouders en zanderige boterhammen aan te pas. Een lekkerbekje van de viskraam die zo feestelijk bellend langs de vloedlijn reed kreeg ik bijna nooit, want mijn moeder had iets tegen lekkerbekjes – ik denk dat ze te duur waren, of te vet. Een zure bom, die kreeg ik soms wel. Het was beter dan niets.

Ook verdwaalde ik altijd, op het strand. ‘Onthoud nou dat we bij paviljoen Koper liggen’, zei mijn moeder dan, maar dat hielp niets, want in de felle zon lijken alle moeders op elkaar. En dan liet ik ook nog meestal mijn ijsje in het zand vallen. Een raket kon je gelukkig afspoelen in zee, al had ik véél liever een bolletje malaga van Giraudi, maar dat kreeg ik bijna nooit, want Giraudi was in Zandvoort. Wij waren tégen Zandvoort, want daar zaten moffen, en de moffen hadden mijn opa vermoord, in de oorlog.

‘Vooruit’, zei huisgenoot P. En hóp, daar reden we, door het dorp van mijn jeugd, de Zeeweg op. Daar was de boulevard al, en de zee. 

In zee was het fijn. Tien minuten, nét mooi. ‘Nou, zullen we maar weer?’, zei ik tijdens het uitdruipen tegen P., maar die wilde natuurlijk nog blijven, zodat ik toen maar weer deed wat ik vroeger ook altijd deed: mijn schouders verbranden en verdwalen, want paviljoen Koper bestaat niet eens meer en in de felle zon lijken alle huisgenoten op elkaar.

‘Ik heb honger’, zei ik, toen ik hem eindelijk had teruggevonden. Boterhammen hadden we gelukkig niet meegenomen. Bij de viskraam (‘Geef het door... Eet haring van Floor’) liet ik de zure bommen links liggen in hun pisgele pekel, en at een lekkerbekje met vier kleuren saus. Het was heerlijk. Daarna reden we door naar Giraudi in Zandvoort. Staand tussen de moffen kocht ik een bolletje malaga. Ook dat smaakte nog net zo verrukkelijk als in mijn herinnering.

Ze zeggen wel dat vroeger alles beter was. Maar dat is niet waar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.