OpinieRené Hoksbergen

Schort interlandelijke adoptie op, maar kies snel voor één bemiddelaar

De overheid is tekortgeschoten in het tegengaan van adoptiemisstanden, maar diezelfde overheid kan ook veilige adoptie gaan organiseren, betoogt René Hoksbergen.

Demonstratie door adoptiebelangenorganistaties in Den Haag. Beeld Hollandse Hoogte
Demonstratie door adoptiebelangenorganistaties in Den Haag.Beeld Hollandse Hoogte

Na het uitkomen van het rapport van de commissie -Joustra was in de media en ook in de Volkskrant meteen veel aandacht voor de interlandelijke adoptie. Dat adoptieouders en ook sommige geadopteerden zich verzetten tegen een adoptiestop was te verwachten.

De adviezen van de commissie: erken dat de overheid is tekortgeschoten in het tegengaan van adoptiemisstanden en schort alle adopties voorlopig op, zijn immers pijnlijk voor betrokkenen. Ernstige misstanden bij de interlandelijke adoptie waren overigens al tientallen jaren bekend. Pas de rechtszaken van enkele volwassen geadopteerden dwongen de overheid tot instelling van de onderzoekscommissie-Joustra.

Natuurlijk volgden direct reacties dat een adoptiestop ten koste van buitenlandse kinderen gaat. Zij hebben het immers nu goed bij hun adoptieouders. Ouders die zich inderdaad veelal vol liefde en aandacht voor deze kinderen in nood inzetten. En zo begon interlandelijke adoptie rond 1970 ook, met idealisme en betrokkenheid van mogelijke adoptieouders. Zelf hadden zij nota bene vaak al kinderen. Het taboe op adoptie was intussen vrijwel verdwenen. De wereld werd trouwens door het toenemende vliegverkeer en de opkomst van de televisie steeds opener. Armoede en ellende kwam via de beeldbuis bijna dagelijks de huiskamer binnen. De noodzaak van hulp aan de Derde Wereld werd algemeen aanvaard.

Misstanden

Enkele organisaties benaderden met succes kindertehuizen in de Derde Wereld. Spoedig stroomden de buitenlandse adoptiekinderen toe. Tussen 1975 en 1980 jaarlijks meer dan 1.000. Vier organisaties, onder leiding van de directeur Directie Kinderbescherming, besloten samen te werken om misstanden te voorkomen. Het Bureau Interlandelijke Adoptie, later Wereldkinderen genoemd, kwam er in 1975. Het idee van één grote professionele adoptieorganisatie mislukte echter vrijwel direct, waarbij de overheid slechts toekeek.

Mensen die graag een kind wilden, konden zelf naar het buitenland gaan om dit als ‘zelfdoener’ te regelen. Soms deden zij dit ook voor anderen en er kwamen twaalf nieuwe adoptieorganisaties bij. Interlandelijke adoptie werd voor ongewenst kinderloze echtparen steeds populairder. Wachtlijsten van zesduizend en meer aspirant-adoptieouders bevorderden dat in 1980 bijna 1.600 buitenlandse kinderen Nederlandse adoptieouders kregen.

Daarna werd dit echter snel minder. Er kwamen berichten over allerlei misstanden. Gegevens over de adoptiekinderen klopten vaak niet, financieel misbruik in landen van herkomst, babyfarming en kinderroof. Betrouwbaarheid van bemiddelaars in herkomstlanden was een probleem voor Nederlandse bemiddelaars. Adoptieouders kregen ook te maken met ernstige opvoedingsproblemen.

Van de noodzakelijke begeleiding, direct na de komst van één, twee, zelfs drie of vier kinderen tegelijk in het gezin, was echter geen sprake. Aandacht voor mogelijke problemen van opgroeiende adoptiekinderen over hun identiteit, het waarom van hun adoptie en een mogelijke interesse in hun afkomst, was er nauwelijks. Voor de overheid bleef interlandelijke adoptie echter een particuliere aangelegenheid. De commissie-Joustra wijst terecht ook op de grote risico’s bij het toelaten van het draagmoederschap. Dit gaat immers ten koste van de kinderen.

De tijd is rijp voor een voorlopige adoptiestop, maar bij de beoordeling van de noodzaak hiervan blijft voorzichtigheid geboden. In Nederland vonden ruim 40 duizend interlandelijke adopties plaats. Veruit het grootste deel van hun adoptieouders zetten zich voluit in voor de toekomst van deze kinderen. De meeste adoptiekinderen zijn positief over hun leven in Nederland.

Aanbevelingen

Tegelijkertijd weten we dat we naïef waren en er voor het geluk van deze kinderen meer is vereist. Interlandelijke adoptie kan geen particuliere aangelegenheid zijn, georganiseerd door een aantal organisaties van belanghebbenden, vaak ten onrechte met een te groot vertrouwen in buitenlandse bemiddelaars.

Laten we kiezen voor:

- één bemiddelaar in Nederland die direct verantwoording schuldig is aan het betreffende ministerie;

- deskundige begeleiding van adoptieouders direct na plaatsing van het kind;

- geadopteerden helpen met hun zoektocht naar het verleden;

- alleen in zee gaan met organisaties in landen van herkomst die zoveel mogelijk alle achtergrondgegevens van de kinderen proberen te achterhalen en vast te leggen.

Er mogen geen belemmeringen van welke aard ook zijn, die de toegang tot deze gegevens bemoeilijken of onmogelijk maken.

Laat het door de commissie voorgestelde ‘opschorten’ in ieder geval slechts duren tot de nodige veranderingen zijn aangebracht. Dit kan evenals het door de commissie geadviseerde en vrijwel meteen uitgesproken excuus van de minister aan geadopteerden betrekkelijk snel gebeurd zijn.

René Hoksbergen is emeritus hoogleraar adoptie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden