Column Thomas van Luyn

Schoenenaantrekker is één van de weinige rollen die ik heb deze sneeuwvakantie

Je hebt zo’n ­middeleeuws ­martelwerktuig, een soort houten schoen die je aan alle kanten kon aandraaien, totdat het au deed en de pineut in kwestie begon te piepen. Dat is wat mijn zoon naspeelt als ik hem met zijn skischoen probeer te helpen. ­Geschreeuw en smeekbedes, terwijl we allebei weten dat-ie over vijf minuten heus wel aan is. Ondertussen ben ik één en al geduld en behulpzaamheid. Moet wel, want schoenenaantrekker is één van de weinige rollen die ik heb deze sneeuwvakantie. 

Skiën gaat niet, want kutgriep. Met koorts op wintersport is, nou ja, iets waar we later om zullen lachen, luidt het eufemisme. Als we nou in de tropen waren geweest, had ik met mijn dikke vette griep onder een palmboom kunnen dutten in een hangmat, niks mis mee. Naar wintersport is alleen leuk al je wat kunt dóén. Ik zit de hele dag warm ingepakt in het skirestaurant thee te slempen, koortsonderdrukkers te slikken en te ­proberen mij af te sluiten voor de stampende schlagers die mijn trommelvliezen teisteren. Ik had natuurlijk ook thuis kunnen blijven, maar skiën is een dure grap, zelfs in Winterberg, dat maar een paar uurtjes rijden is. 

Het hotel is al betaald, maar ik laat echt niet mijn vrouw met twee ruziënde kinderen de lange autorit maken en in haar eentje hun voetjes in de skischoenen persen, en ze met helmpjes, stokken, brillen en ski’s op de piste zien te krijgen, ze troosten als ze vallen en tegelijk vermanen dat ze zich niet moeten aanstellen. Dan zou ze zó chagrijnig terugkomen, er zijn niet genoeg voetmassages en bosjes bloemen in de wereld om mij dan weer boven nul te krijgen. En ik heb betere dingen te doen.

Skiën is synoniem met gezond, dus ik schaam mij tegenover alle vrolijke blozende mensen om me heen. Ik denk gemene gedachten. Stelletje nazi’s. Dronken tuig. Allemaal afgunst. Niet mee mogen spelen is een diep geworteld trauma, aangezien ik twee oudere broers heb. Mijn geest dwaalt op plekken waar ik beter niet heen kan gaan. ’s Nachts lig ik me ijlend te ergeren aan de gordijntjes in ons hotel. Het zijn van die wonderlijke ondingen die je door alle goedkope hotels in Europa ziet. U kent ze wel: polyester aan één kant bedrukt met verticale vaalgele en vaalblauwe strepen, met een soort vage barokke bloemen erdoorheen, en aan de andere kant blanco. Lastige omschrijving, ik weet het, maar als u ze ziet, zegt u: oh ja, díe dingen. 

Ik denk dat de bedoeling is dat ze een Engelse uitstraling hebben, want wie Engelse huisrenovatieprogramma’s bekijkt (en waarom niet) weet dat ze daar kleuren niet ­ervaren als elders in de wereld, met name op het gebied van geel. Vrouw in lelijke gele jurk: ­Engels, wedden? De gordijnstof zal dan ook wel ‘Ascot’ of ‘Bloomsbury’ heten. Ergens in Engeland (ik gok Burnley) staat een enorme fabriek de hele dag deze stof eruit te pompen om de ziekenhuizen, gevangenissen en asielzoekerscentra van het continent van gordijntjes te voorzien. Hun wraak voor de vernederende brexitonderhandelingen. Engelsen mogen ook niet meer meespelen en ze zullen uit afgunst heel gemeen worden, let op mijn woorden. Of, zoals de bard ooit zei: ‘Now is the Winterberg of our discontent.’

t.vanluyn@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.