Column

Satirici valt slechts geamuseerd quasi-respect ten deel

De journalisten van Charlie Hebdo worden terecht vereerd als martelaren voor de vrijheid van meningsuiting, maar als ze in de afgelopen twintig jaar hadden geprobeerd hun satirische blad op een Amerikaanse universiteit te publiceren zou dat verhinderd zijn. Studenten en vakgroepen zouden hen hebben beschuldigd van haatzaaien, het bestuur zou de geldkraan hebben dichtgedraaid en het blad hebben opgeheven.

Uit de reacties op de aanslagen in Parijs blijkt dat veel mensen snel geneigd zijn om degenen die islamistische terroristen in Frankrijk beledigen op een voetstuk te plaatsen, maar dat ze minder tolerant zijn tegenover degenen die iets lelijks zeggen over hun eigen ideeën, hier in Amerika.

Kijk alleen maar naar al die mensen die aan universiteiten zo overdreven hebben gereageerd op agressieve speldenprikken. De Universiteit van Illinois ontsloeg een hoogleraar die de rooms-katholieke opvatting over homoseksualiteit had onderwezen. De Universiteit van Kansas schorste een professor die een felle tweet had geschreven tegen de National Rifle Association. Amerikanen kunnen Charlie Hebdo dan wel prijzen voor hun moed cartoons te publiceren waarin de profeet Mohammed belachelijk wordt gemaakt, maar als hier Ayaan Hirsi Ali door een universiteit wordt uitgenodigd zien we vaak oproepen om haar het spreken onmogelijk te maken.

Bij alle ootmoed rond het afmaken van die schrijvers en redacteuren in Parijs is dit een goed moment om eens een wat minder hypocriet standpunt in te nemen tegenover onze eigen controversiële figuren, provocateurs en satirici. Om te beginnen: voor de meesten van ons gaat 'Ik ben Charlie Hebdo' niet op, omdat wij niet het soort opzettelijk beledigende humor praktiseren waarin dat blad zich heeft gespecialiseerd. Misschien zijn we ooit wel zo begonnen. Als je 13 bent, lijkt 'épater le bourgeoisie' heel dapper en provocerend. Maar na een tijdje wordt dat kinderachtig. De meeste mensen ontwikkelen een genuanceerdere kijk op de werkelijkheid en een tolerantere kijk op anderen. We proberen een gesprek aan te gaan door te luisteren in plaats van te beledigen.

Tegelijkertijd zijn we ons ervan bewust dat provocateurs een nuttige rol vervullen. Satirici laten zien hoe zwak we zijn en hoe ijdel in onze momenten van trots. Zij prikken de zelfvoldaanheid van 'geslaagde' mensen door en verzachten de sociale ongelijkheid door de machtigen der aarde op hun nummer te zetten. Bovendien laten die provocateurs zien hoe ongelooflijk stom fundamentalisten zijn. Dat zijn mensen die alles letterlijk nemen en niet in staat zijn iets van meerdere kanten te bezien.

Kortom, als we het over provoceren en beledigen hebben, moeten we normen van fatsoen en respect hanteren, maar tegelijkertijd ruimte geven aan creatieve en uitdagende mensen die zich niet geremd voelen door goede manieren en smaak.

Als je dit precaire evenwicht denkt te bereiken met wetgeving, richtlijnen voor spreken in het openbaar en het boycotten van sprekers, kom je uit op grove censuur en verstikte discussies. Het is bijna altijd verkeerd om het vrije woord te onderdrukken, richtlijnen in te voeren en uitnodigingen aan sprekers in te trekken.

Gelukkig zijn omgangsvormen kneedbaarder en soepeler dan wetten en voorschriften. De meeste samenlevingen slagen erin normen van beleefdheid en respect te handhaven en toch ruim baan te geven aan degenen die grappig, onbeleefd en beledigend zijn.

In veel samenlevingen heb je een tafel voor de volwassenen en een tafel voor de kinderen. De mensen die Le Monde lezen zitten aan de tafel voor volwassenen. De jokers, de heilige dwazen zitten aan de kindertafel. Ze worden niet helemaal voor vol aangezien, maar ze worden wel gehoord omdat ze als ongeleide projectielen soms dingen zeggen die gezegd moeten worden.

Gezonde samenlevingen onderdrukken de vrije meningsuiting niet maar maken wel onderscheid in de status die aan diverse mensen wordt toegekend. Naar bedachtzame geleerden wordt met respect geluisterd. Satirici valt slechts geamuseerd quasi-respect ten deel. Naar racisten en antisemieten wordt geluisterd in het besef dat het schandalig en respectloos is wat ze zeggen.

De moordpartij bij Charlie Hebdo zou de aanleiding moeten zijn voor het afschaffen van richtlijnen voor het spreken en ons eraan moeten herinneren juridisch tolerant te zijn tegenover stemmen die aanstoot geven, ook al kijken we maatschappelijk anders tegen ze aan.

Vertaling: Leo Reijnen © NYT

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden