Column Sarah Sluimer

Sarah Sluimer fantaseert over de apocalyps: wat nou als het einde opeens vlakbij is?

De klamme hitte heeft het land in zijn greep. En Sarah, die zich realiseert dat ze niet is voorbereid op de naderende ramp.

Ik lag op mijn buik op de bank, heel stil. Niet bewegen, iedere spiertrekking veroorzaakt golven warmte in het lijf. Ik ben moe, maar mag nog niet slapen. Het is te vroeg.

Er is iets raars aan de hand, ik kan het niet langer ontkennen. Een paar weken geleden reed ik Nederland in en was alles geel. Drie mensen in mijn omgeving verloren deze dagen naasten aan verschillende moorden. Een babytapir overleed in Blijdorp. De maan was bloedrood. Mensen zijn opeens ziek, niet zomaar een beetje, maar met geweld en kans op de eeuwige jachtvelden. Ik rol om. Het bed is klam, zelfs mijn handen zweten. In de binnentuin hoor ik een vrouw ruzie maken met haar moeder. Hard, onverzoenlijk, met piepende stem en schreeuwende uithalen. De hitte duurt maar voort, als een klem om je nek. Er was een artikel dat zegt dat dit zomaar 500.000 jaar kan duren. Ik las het, geloofde het. Pas als je iets aan den lijve ondervindt kan het waar zijn, zo stom zijn we allemaal. Het zou een eindeloos smeken om verlossing betekenen, met iedere stap die je zet.

Ik sta op, de warmte slaat me op mijn smoel. Naar beneden, de avondwinkel. Wit licht, het zoemen van de koeling. Drie babypoesjes spelen loom met elkaar tussen de schappen. Als ik nu iemand zoen, zou hij dood neervallen. Buiten staan zeven studenten, ze duwen elkaar. Hun hoofden zijn rood, hun haren nat. Ik koop bier en sigaretten. ‘De zeven plagen’, zegt de man achter de kassa en wijst naar de jongens die nu met z’n allen proberen op één fiets te klimmen. Ik loop naar huis, onzichtbaar, mijn hoofd gebogen. Ik strompel de trap op. De balkondeuren staan open. Ik hoor van buiten getik van een toetsenbord, langzaam. We zeggen niet veel tegen elkaar, mijn vriend en ik. Dit weer nodigt niet uit tot praten, maar tot voorbereiding op weer een nacht waarin je stikt. Ik zet een biertje voor hem neer op de tuintafel, ga zelf binnen zitten. Indische erfenis, denk ik. Mijn afkomst maakt me verstandiger, want binnen is het koeler. En dan: nee, niet zo denken, we staan hier samen in. Mijn telefoon licht op. Een foto van een vriendin, geposeerd vermoeide blik, haar huid glimt. ‘De apocalyps komt eraan hoor.’

Ik kruip traag mijn bed in, lig op mijn rug. Het laken tot aan mijn middel. Wat nou als er een tomeloos virus uitbreekt, ergens in een Spaans dorp. Een troep zombies, rottend vlees, naderend in de zinderende middagzon. Wat nou als het water op raakt of juist komt, lauw en briesend over de straten. Wat nou als het einde opeens vlakbij is. Iets waar we op afstand eindeloos over gefantaseerd hebben, maar waar we niet op voorbereid zijn. Mijn vriend ligt naast me, we raken elkaar secuur niet aan. Ik sluit mijn ogen, ga doen alsof ik kan slapen.

Het is ochtend. Het regent. Ik rol naar hem toe, hij grijpt mijn hand. We spelen dat we gered zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.