Sander Kok: juist minder mensen moeten naar de musea

'Ze slenteren, stinken en zeggen domme dingen'

In het Rijksmuseum voor de Nachtwacht. Foto Marcel Wogram

'Twee keer zoveel bezoekers voor het museum', jubelde NRC in de rubriek 'Positief in 2017'. Hoe men hogere bezoekersaantallen als goed nieuws kan bestempelen, is mij een raadsel. Meer mensen in musea is helemaal niet goed. Het is diep-, dieptreurig. Vroeger waren de musea nog stil. Je kon een kwartiertje naar een schilderij staan kijken, zonder het gevoel dat je in de weg stond. Zonder dat een ander met een koptelefoon op tussen jou en het schilderij ging staan. Je gedachten verdwenen niet in het oeverloze geklets van mensen die eigenlijk liever buiten lopen.

En nu? Toeristen, eindeloze drommen toeristen. Van het goede soort? Nee, van het soort dat op vakantie 'ook altijd een kerkje' bezoekt.

Geslipperde voeten bevolken de paden. In de hoek bij Het juffertje krijst een mobiele telefoon tweemaal voor de bezitter luidkeels zegt dat hij in een museum staat. De mensen slenteren futloos van plaatje naar plaatje, een gulle drie seconden per kunstwerk bestedend.

Het enige goede aan hun bezoek is dat het meestal maar een uurtje duurt.

Bedrieg jezelf niet, museumdirecteuren, die bezoekers komen uit verveling, uit plichtsbesef, uit pochzucht of om indruk te maken op hun partner. Niet voor de kunst. Of nou ja, soms voor de kunst. Om die te fotograferen.

Waar de gemeente Amsterdam inmiddels gehoor geeft aan de roep van haar inwoners om minder marketing, omdat het centrum te vol, te druk, te lawaaiig is, blijven de Nederlandse musea geloven dat ze records moeten breken met hun bezoekersaantallen. Een goed jaar, voor een museum, is een jaar dat meer bezoekers trok dan het voorgaande.

Stel, ik ben een gelovige. Ik ga elke zondag ter kerke. Dan stelt de kerk een marketingmanager aan die erin slaagt om meer mensen naar de kerk te krijgen. De kerkbanken zijn overvol. De pastoor is tevreden. Dan ziet hij dat de banken vol zitten, maar dat slechts een enkeling bidt.

Tot dat besef moeten de museumdirecteuren nog komen.

Wat moeten we met al die bezoekers? Behalve met hun geld?

Meestal sjokt het maar wat rond, het door marketing gelokte publiek; soms trekt er een zijn iPhone als een zwaard en loopt naar een van de wanden. Hij kijkt door zijn telefoon naar een schilderij. Het kunstwerk is pas geslaagd als de lijst mooi binnen de randen van het scherm valt. Klik. Voor thuis. Waar het nooit meer wordt bekeken. Noem mij een elitaire zak, maar ik heb die mensen liever niet in musea.

Ik zou er geen probleem mee hebben, als ze niet zo in de weg zouden staan.

Maar ze staan steeds in de weg.

En ze praten hard. Zeggen domme dingen.

Ze slenteren, tillen nooit hun voeten op.

Ze stinken vaak ook.

Ik wens maar één ding voor 2018 en dat is minder mensen in musea.

Sander Kok is schrijver. Hij debuteerde met Smeltende vrouw.

Meer over